Villa zum Abendstern uit "Der Gehülfe" - tekeningen en foto's

Robert Walser schreef “Der Gehülfe” in 1907, toen hij bij zijn broer Karl in Berlijn woonde. Het boek vertelt over zijn verblijf in de Villa zum Abendstern in Wädenswil aan het Zürichermeer.

De familie Tobler uit de roman heette in werkelijkheid Dubler. Ingenieur Carl Dubler had in november 1902 met zijn vrouw Frieda en hun vier kinderen de Villa zum Abendstern betrokken, waar hij in het souterrain zijn technisch bureau vestigde. Van eind juli 1903 tot begin januari 1904 heeft Walser gewoond bij deze familie, omdat hij als assistent voor Dubler werkte. Enig salaris heeft hij nooit ontvangen: twee weken na Walsers vertrek ging de ingenieur-uitvinder failliet. Kort daarna is het echtpaar gescheiden.
Dubler is in 1925 op 54-jarige leeftijd gestorven in de gevangenis van Lenzberg, waar hij zat wegens bedrog.

situatie

 

(maatbalkje per 10 meter)

Het rode blokje links te midden van een grote tuin aan de Bürglistrasse is de Villa zum Abendstern; direct ten noorden van het huis is de (ook rode) gebogen plattegrond van het tuinhuisje te zien en daarboven de fameuze "grot" die Herr Dubler liet bouwen in 1903. Het huis staat bovenaan een steile helling, "op een, je mag wel zeggen, groene heuvel".
In de rechterbovenhoek van de tekening is nog net een stukje oever van het Zürichermeer te zien, met daarlangs de spoorbaan en de Landstrasse (de huidige Seestrasse.) Langs deze Landstrasse, een kleine twee kilometer naar het zuidoosten, kom je bij het station en het postkantoor: "Er waren twee routes (naar het postkantoor), één langs het meer, via de brede landweg, en één over de heuvel, tussen de fruitbomen en boerderijen door."
De hier getekende situatie is die van 1909. Het noordelijke deel van de tuin hoort allang niet meer bij de Villa (zie stippellijn).

souterrain

 

(maatbalkje per meter)

De entree, links op tekening, ligt split-level tussen souterrain en beletage. (Walser heeft het over kelder en begane grond.) Direct rechts achter de voordeur loopt een trapje naar beneden, naar het technisch bureau (onderaan op de tekening): “Joseph ging een trap af, die eerder voor kippen dan voor mensen gemaakt leek en stapte rechtsaf zonder meer het technisch bureau binnen”, een vrij lage ruimte met hoge donkerhouten lambrisering.
Links voor het raam stond de lessenaar van Herr Tobler, en rechts de tafel waaraan Walser werkte: “Die stond dicht voor een raam en bij de tuinaarde. Daaroverheen zag je in de diepte het uitgestrekte meer, verderop de oever van de overkant.”
Het bureau is ook direct vanuit de tuin bereikbaar via een deels in de grond gelegen veranda.
Linksboven was de wijnkelder, onder/achter de trap de kolenopslag; rechtsboven was de waskeuken en in het kleine hokje rechts stond de badkuip.

beletage

 

(maatbalkje per meter)

Walser noemt dit dus de begane grond (zie hierboven), maar je kan van hieruit nergens de tuin in, behalve via de voordeur, een halve trap lager.
Aan de zuidkant ligt de woon-/eetkamer, waar de hele familie bijeen zat. Hier hing het portret van Napoleon, dat door Walser nergens genoemd wordt. (Volgens Echte was de figuur Tobler met dit detail een karikatuur geworden.) Alleen in dit vertrek stond een kachel, op dezelfde plek als in het technisch bureau daaronder (zie grijze rechthoekjes), de enige verwarmingspunten in het hele huis.
In de hoek van de logeerkamer rechtsboven tussen de ramen stond met Kerstmis de kerstboom: “Het was ook koud in de logeerkamer, en waar kerstvreugde had moeten heersen, daar mocht het niet koud zijn. We gingen daarom steeds de woonkamer in, om een beetje warmte te halen, en kwamen dan weer terug bij de boom.”
Links van de logeerkamer ligt de keuken. Vanuit de woon-/eetkamer kom je op de veranda.

eerste verdieping

 

(maatbalkje per meter)

Dit was de slaapverdieping. Bovenaan op de tekening links sliepen de meisjes Silvi en Dora, rechts de jongens Walter en Edi; onderaan lag de grote slaapkamer van de ouders; daartussenin, als een soort “buffer” (woordkeus van Bernhard Echte), sliep het dienstmeisje Pauline.
Op deze verdieping is, onderaan de trap naar boven, ook de toegangsdeur naar zolder. Walser passeerde dus alle slaapkamers als hij naar zijn torenkamer ging. “Even later verraste Joseph de vrouw boven aan de deur van haar slaapkamer, zij had deze toevallig open laten staan, in negligé. Zij stond, zonder ergens aan te denken, met ontblote armen naast de wastafel en was bezig haar haren in orde te brengen. Toen zij Joseph hoorde en zag, slaakte zij een gil en gooide de deur dicht. Wat een prachtige armen! dacht de bediende en ging verder de trap op.”

zolder

 

(maatbalkje per meter)

Rechtsboven op de tekening ligt de torenkamer: „Ik bewoon hier één van de uitzichtrijkste en mooist gelegen kamers ter wereld. Meer en bergen en weidelandschap liggen als een gratis surplus voor mijn blikveld en voeten uitgespreid.”
Aan het slot van „Der Gehülfe”, als Joseph Marti moet vertrekken, schrijft Walser: “Toen hij met pakken klaar was, ging hij twee minuten bij het open raam staan en keek nog één keer met zo’n echt dankbaar hart naar de omgeving. Het grote meer daarbeneden wierp hij zelfs een handkus toe, zonder erbij na te denken wat hij deed, maar gewoonweg vanuit het gevoel van het plotseling noodzakelijk geworden afscheid."
Naast de torenkamer ligt een groot dakterras (linksboven op tekening), dat Walser “ter beschikking stond” en dat hij “het platform” noemde.

Hieronder links een doorsnede over het bureau en rechts een doorsnede over het trappenhuis.

De kleurenfoto’s hierboven uit 2009/2010:
bovenste reeks v.l.n.r.: - tuinhuisje - uitzicht torenkamer - torenkamer -
middelste reeks v.l.n.r.: - tuinhuisje - werkplek van Walser in technisch bureau - deur naar zolder, links deur hoofdslaapkamer
onderste reeks v.l.n.r.: - entree villa met daarachter het tuinhuisje - "kippentrappetje" vanaf souterrain naar entree

Villa zum Abendstern is in 1943 grondig gerenoveerd. Daarbij is de koperen torenkoepel, die Dubler/Tobler had laten aanbrengen, vervangen door een gewoon pannen puntdak en heeft de veranda een ander aanzien gekregen.
Bernhard Echte heeft het huis rond 1998 van de ondergang gered en grotendeels gerestaureerd. De torenkamer, het technisch bureau en het tuinhuisje zijn in de oude staat hersteld (zie kleurenfoto’s).
De toekomst van de villa is zeer onzeker. Het schitterende uitzicht op het meer dat in de loop der jaren door nieuwe bebouwing al beperkt was geworden, dreigt nu helemaal te verdwijnen door hoge nieuwbouw, pal voor de villa, aan de Seestrasse.

tekeningen, tekst en vertaling Machteld Bokhove, juni 2010