Schneien

Es schneit, schneit, was vom Himmel herunter mag, und es mag Erkleckliches herunter. Das hört nicht auf, hat nicht Anfang und nicht Ende. Einen Himmel gibt es nicht mehr, alles ist ein graues weisses Schneien. Eine Luft gibt es auch nicht mehr, sie ist voll Schnee. Eine Erde gibt es auch nicht mehr, sie ist mit Schnee und wieder mit Schnee zugedeckt. Dächer, Strassen, Bäume sind eingeschneit. Auf alles schneit es herab, und das ist begreiflich, denn wenn es schneit, schneit es begreiflicherweise auf alles herab, ohne Ausnahme. Alles muss den Schnee tragen, feste Gegenstände wie Gegenstände, die sich bewegen, wie z.B. Wagen, Mobilien wie Immobilien, Liegenschaften wie Transportables, Blöcke, Pflöcke und Pfähle wie gehende Menschen. Kein Fleckchen existiert, das vom Schnee unberührt bleibt, ausser was in Häusern, in Tunneln oder in Höhlen liegt. Ganze Wälder, Felder, Berge, Städte, Dörfer, Ländereien werden eingeschneit. Auf ganze Staatswesen, Staatshaushaltungen schneit es herab. Nur Seen und Flüsse sind uneinschneibar. Seen sind unmöglich einzuschneien, weil das Wasser allen Schnee einfach ein- und aufschluckt, aber dafür sind Gerümpel, Abfällsel, Hudeln, Lumpen, Steine und Geröll sehr veranlagt, eingeschneit zu werden. Hunde, Katzen, Tauben, Spatzen, Kühe und Pferde sind mit Schnee bedeckt, ebenso Hüte, Mäntel, Röcke, Hosen, Schuhe und Nasen. Auf das Haar von hübschen Frauen schneit es ungeniert herab, ebenso auf Gesichter, Hände und auf die Augenwimpern von zur Schule gehenden zarten kleinen Kindern. Alles, was steht, geht, kriecht, läuft und springt, wird sauber eingeschneit. Hecken werden mit weissen Böllerchen geschmückt, farbige Plakate werden weiss zugedeckt, was da und dort vielleicht gar nicht schade ist. Reklamen werden unschädlich und unsichtbar gemacht, worüber sich die Urheber vergeblich beklagen. Weisse Wege gibt's, weisse Mauern, weisse Äste, weise Stangen, weisse Gartengitter, weisse Äcker, weisse Hügel und weiss Gott was sonst noch alles. Fleissig und emsig fährt es fort mit Schneien, will, scheint es, gar nicht wieder aufhören. Alle Farben, rot, grün, braun und blau, sind vom Weiss eingedeckt. Wohin man schaut, ist alles schneeweiss; wohin du blickst, ist alles schneeweiss. Und still ist es, warm ist es, weich ist es, sauber ist es. Sich im Schnee schmutzig zu machen, dürfte sicher ziemlich schwer, wenn nicht überhaupt unmöglich sein. Alle Tannenäste sind voll Schnee, beugen sich unter der dicken weissen Last tief zur Erde herab, versperren den Weg. Den Weg? Als wenn es noch einen Weg gäbe! Man geht so, und indem man geht, hofft man, dass man auf dem rechten Weg sei. Und still ist es. Das Schneien hat alles Geräusch, allen Lärm, alle Töne und Schälle eingeschneit. Man hört nur die Stille, die Lautlosigkeit, und die tönt wahrhaftig nicht laut. Und warm ist es in all dem dichten weichen Schnee, so warm wie in einem heimeligen Wohnzimmer, wo friedfertige Menschen zu irgendeinem feinen lieben Vergnügen versammelt sind. Und rund ist es, alles ist rundherum wie abgerundet, abgeglättet. Schärfen, Ecken und Spitzen sind zugeschneit. Was kantig und spitzig war, besitzt jetzt eine weisse Kappe und ist somit abgerundet. Alles Harte, Grobe, Holperige ist mit Gefälligkeit, freundlicher Verbindlichkeit, mit Schnee, zugedeckt. Wo du gehst, trittst du nur auf Weiches, Weisses, und was du anrührst, ist sanft, nass und weich. Verschleiert, ausgeglichen, abgeschwächt ist alles. Wo ein Vielerlei und Mancherlei war, ist nur noch eines, nämlich Schnee; und wo Gegensätze waren, ist ein Einziges und Einiges, nämlich Schnee. Wie süss, wie friedlich sind alle mannigfaltigen Erscheinungen, Gestalten miteinander zu einem einzigen Gesicht, zu einem einzigen sinnenden Ganzen verbunden. Ein einziges Gebilde herrscht. Was stark hervortrat, ist gedämpft, und was sich aus der Gemeinsamkeit emporhob, dient im schönsten Sinne dem schönen, guten, erhabenen Gesamten. Aber ich habe noch nicht alles gesagt. Warte noch ein wenig. Gleich, gleich bin ich fertig. Es fällt mir nämlich ein, dass ein Held, der sich tapfer gegen eine Übermacht wehrte, nichts von Gefangengabe wissen wollte, seine Pflicht als Krieger bis zu allerletzt erfüllte, im Schnee könnte gefallen sein. Von fleissigem Schneien wurde das Gesicht, die Hand, der arme Leib mit der blutigen Wunde, die edle Standhaftigkeit, der männliche Entschluss, die brave tapfere Seele zugedeckt. Irgendwer kann über das Grab hinwegtreten, ohne dass er etwas merkt, aber ihm, der unterm Schnee liegt, ist es wohl, er hat Ruhe, er hat Frieden, und er ist daheim. - Seine Frau steht zu Hause am Fenster und sieht das Schneien und denkt dabei: "Wo mag er sein, und wie mag es ihm gehen? Sicher geht es ihm gut." Plötzlich sieht sie ihn, sie hat eine Erscheinung. Sie geht vom Fenster weg, sitzt nieder und weint.

In Kleine Prosa, 1917

Sneeuwen

Het sneeuwt, sneeuwt, zoveel als er maar vanuit de hemel neer kan vallen, en dat kan aanzienlijk zijn. Het houdt niet op, het heeft geen begin en geen eind. Een hemel is er niet meer, alles is een grijs-wit sneeuwen. Een lucht is er ook niet meer, die zit vol sneeuw. Een aarde is er ook niet meer, die is toegedekt met sneeuw en nog eens sneeuw. Daken, straten, bomen zijn ondergesneeuwd. Op alles valt sneeuw neer, en dat is logisch, want als het sneeuwt, sneeuwt het logischerwijze op alles, niets uitgezonderd. Alles moet de sneeuw dragen, vaste voorwerpen evenzogoed als voorwerpen die bewegen, zoals bijvoorbeeld wagens, roerende zowel als onroerende goederen, plaatsgebonden zowel als verplaatsbare objecten, blokken, stokken en staken zowel als lopende mensen. Er is geen plekje dat door de sneeuw onberoerd blijft, behalve wat in huizen, in tunnels of in holen ligt. Hele bossen, velden, bergen, steden, dorpen, landerijen raken ingesneeuwd. Op hele staten, staatshuishoudens valt sneeuw neer. Alleen meren en rivieren kunnen niet ingesneeuwd raken. Meren kunnen onmogelijk ingesneeuwd raken omdat het water eenvoudigweg alle sneeuw in- en opslorpt, maar oude rommel, afval, vodden, lompen, keien en steentjes kunnen daarentegen heel goed ondergesneeuwd raken. Honden, katten, duiven, mussen, koeien en paarden zijn met sneeuw bedekt, evenals hoeden, mantels, rokken, broeken, schoenen en neuzen. Op het haar van mooie vrouwen sneeuwt het ongegeneerd, net als op gezichten, op handen en op de oogwimpers van kwetsbare kleine kinderen die naar school gaan. Alles wat staat, loopt, kruipt, rent en springt, raakt keurig ingesneeuwd. Heggen worden met witte bolletjes opgesmukt, kleurige plakkaten worden wit afgedekt, wat hier en daar helemaal niet erg is. Reclames worden onschadelijk en onzichtbaar gemaakt, waarover de initiatiefnemers zich tevergeefs beklagen. Witte wegen zijn er, witte muren, witte takken, witte stangen, witte tuinhekken, witte akkers, witte heuvels en God weet wat verder nog allemaal. Vlijtig en naarstig gaat het maar door met sneeuwen, het wil, lijkt ’t wel, helemaal niet meer ophouden. Alle kleuren, rood, groen, bruin en blauw, zijn met dat wit toegedekt. Waar men ook kijkt, alles is sneeuwwit; waar je ook je blik op laat vallen, alles is sneeuwwit. En het is stil, het is warm, het is zacht, het is schoon. Je vuil maken in de sneeuw zou wel eens tamelijk moeilijk, zoniet helemaal onmogelijk kunnen zijn. Alle sparrentakken zitten vol sneeuw, buigen onder de dikke witte last diep tot aan de grond door, versperren de weg. De weg? Alsof er nog een weg bestaat! Je loopt zomaar wat, en terwijl je loopt, hoop je maar dat je echt op de weg bent. En stil is ’t. Het sneeuwen heeft al het gedruis, al het rumoer, alle geluiden en klanken ingesneeuwd. Je hoort alleen de stilte, de geluidloosheid, en die klinkt waarachtig niet luid. En warm is het in al die compacte zachte sneeuw, zo warm als in een knusse woonkamer waar vredelievende mensen voor een of ander prettig intiem vermaak bijeen zijn. En rond is het, alles is rondom afgerond, gladgestreken. Scherptes, hoeken en punten zijn weggesneeuwd. Wat kantig en puntig was, bezit nu een witte muts en is zo afgerond. Al wat hard, grof, oneffen was, is met voorkomendheid, vriendelijke hoffelijkheid, met sneeuw, toegedekt. Waar je ook loopt, je stapt alleen maar op iets weeks, iets wits, en wat je aanraakt, is zacht, nat en week. Versluierd, verzacht, afgezwakt is alles. Waar een veelheid en verscheidenheid bestond, is nog maar één ding, namelijk sneeuw; en waar tegenstellingen bestonden, rest één enkel iets, namelijk sneeuw. Hoe zoet, hoe vredig zijn alle verschillende verschijningsvormen en voorstellingen met elkaar tot één enkel beeld, tot één enkel peinzend geheel verbonden. Eén enkel maaksel regeert. Wat sterk naar voren kwam, is getemperd, en wat boven de gezamenlijkheid uitstak, voegt zich in de mooiste zin van het woord in het mooie, prachtige, verheven geheel. Maar ik heb nog niet alles verteld. Wacht nog even. Dadelijk, dadelijk ben ik klaar. Het schiet mij namelijk te binnen dat een held die zich dapper tegen een overmacht teweer stelde, die niets van overgave wilde weten, die zijn plicht als krijgsman tot op het laatst vervulde, in de sneeuw gevallen zou kunnen zijn. Door het niet aflatende sneeuwen werd zijn gezicht, zijn hand, zijn arme lichaam met de bloedige wond, zijn edele standvastigheid, zijn mannelijk besluit, zijn brave dappere ziel toegedekt. Elk willekeurig iemand kan over het graf lopen zonder dat hij iets merkt, maar degene die onder de sneeuw ligt, voelt zich goed, hij heeft rust, hij heeft vrede, en hij heeft zijn plek gevonden. – Zijn vrouw staat thuis bij het raam en ziet het sneeuwen en denkt daarbij: ‘Waar zou hij zijn, en hoe zou het met hem gaan? Het gaat vast goed met hem.’ Plotseling ziet ze hem, ze heeft een visioen. Ze loopt weg van het raam, gaat zitten en weent.

vertaling machteld bokhove