(ohne Titel)

Vor Wut über ihre Wut war sie grün, wobei niemand eingeladen werden kann, zu glauben, dass ihre unsagbare Entrüstetheit nicht begründet gewesen sei. Der Frechling, den sie geschätzt hätte, wenn er vor Frechheit weniger rot gewesen wäre, besass ein schneeweisses Ding, an dessen Vorhandensein auch nur mit Hauchesleisheit zu denken sie beben und erwürgte Schreie ausstossen liess. Sie musste ihren qualvollen Zorn Stück für Stück essen, was eine beneidenswerte Aufgabe für ihren verwöhnten Geschmack sein konnte. Nebenbei betont, zeigte sie sich dem leider immer wieder nur beinahe zu Rötlichen in ihrem Elendigkeitszustand angepasstem Schwarz, das wunderbar vom blendenden Teint ihres Gesichtes abstach. Er besass, was ihm die verschwenderisch schenkende Natur nie hätte verleihen, was nimmermehr sein Eigentum hätte sein sollen, und dennoch nannte er es sein eigen, und ihm kam oft vor, das Ding lächle himmelblau und mache ihn glücklich, weil es ihn pflückelig schmückte, als wär's ein Blümlein gewesen zum Lachen und zum hierüber ein ganzes Jahr lang unsäglich Traurigsein. Das Ding gleiche einem Glöckchen, bildete sie sich [ein], und ihre Einbildung beruhte vielleicht auf einer verhältnismässig ganz vortrefflichen Anschauungsweise. Infolge des manchmal hin und her zappe[l]nden, baumelnden Dingelchens lag in seinen Augen ein wohl im allgemeinen nur zu verführerisches Etwas, das den Glanz des Kristalls besass. Einmal fiel sie um seiner in der Tät hübschen Augen willen in Ohnmacht, aus der sie erwachte, um sich zu versprechen, es ihm abzuschneiden, wovon seine Lebenslust, sein beleidigendes Prangen und Lachen herrührte. Obschon allerdings immer eher sein Aussehen als sein Mund lachte, durfte dennoch das Lachen als frech bezeichnet werden, das sie ihm von den Lippen we[g]zunehmen wünschte. Das Ding schien hauptsächlich dazu da zu sein, dass er nach Belieben mit ihm umgehe, mit ihm spiele, und nun bemächtigte sie sich eines Schneideinstrumentes, und als er nichtswissend, nämlich schlafend, dalag, entfernte sie von seinem Wesen, was ihrer Meinung nach keinesfalls dazu passte. Sogleich begab [sie] sich mit dem Gegenstand, der mehr einem Würstchen als dem Lauf einer Kanone glich, in die Küche, nahm eine Bratpfanne vom Gestell herab, fettete sie zuerst gehörig ein, legte dann das Ding hübsch hinein, bis es wie eine Bratwurst brötelte. Glaubt ihr, dass es ihr schmeckte, als sie's ass? Muss das eine Lust gewesen sein hineinzubeissen. Sie ass es vor seinen Augen glatt auf. Wie verhielt sich nun aber er zu diesem Schmaus? Freute er sich über die eigentümliche Art von Freude, woran sie sich sättigte? War er weniger zufrieden als vorher? Zündeten seine Augen jetzt nicht mehr gar so brüsk? Keine Spur davon. Ganz derselbe war er. Solange er das Ding hatte, besass er's, und jetzt, wo es ihm nicht mehr gehörte, war's nicht mehr sein. Sie wunderte sich sehr, wie sie sich hatte ereifern können. Er war nicht anders, auch sie nicht, indem es Dinge geben kann, denen man zu viel Wert beimisst, da es auf eine Eigentümlichkeit mehr oder weniger nicht so viel ankommt, wie die meisten Menschen meinen.

Aus dem Bleistiftgebiet, Band V, Seite 124
März-April 1928

(zonder titel)

Ze zag groen van woede over haar woede, waarbij er van niemand gevraagd kan worden om te geloven dat haar onnoemelijke verontwaardigdheid niet gegrond was. De brutale kerel, die zij gewaardeerd zou hebben als hij minder rood had gezien van brutaliteit, bezat een sneeuwwit ding waarvan het bestaan haar, als ze er ook maar met terloopse luchtigheid aan dacht, deed beven en gewurgde kreten liet slaken. Ze moest haar kwellende kwaadheid stukje voor stukje opeten wat een benijdenswaardige opgave kon zijn voor haar verfijnde smaak. Laat dit overigens nadrukkelijk gezegd zijn, ze vertoonde zich - wat goed paste bij het helaas altijd maar weer bijna te roodachtige in haar ellendige toestand - in het zwart dat prachtig afstak bij de verblindende teint van haar gezicht. Hij bezat wat de verkwistende natuur hem nooit had moeten verlenen, wat nooit en te nimmer zijn eigendom had moeten zijn, en toch noemde hij dat iets eigens aan hem, en hij had vaak het gevoel dat het ding hemelsblauw glimlachte en hem gelukkig maakte omdat het hem plukselachtig sierde alsof het een bloempje was geweest waar je om kon lachen en hierover dan een jaar lang onbeschrijfelijk treurig kon zijn. Het ding leek op een klokje, verbeeldde zij zich, en haar verbeelding berustte misschien op een naar verhouding zeer voortreffelijke denkwijze. Tengevolge van dit af en toe heen en weer spartelende, bungelende dingetje zat er in zijn ogen een meestal toch maar al te verleidelijk iets, wat de glans had van kristal. Eén keer kreeg ze van zijn inderdaad mooie ogen een flauwte waaruit ze ontwaakte met de belofte aan zichzelf om datgene waar zijn levenslust, zijn gepronk en gelach vandaan kwam van hem af te snijden. Ofschoon zijn uiterlijk weliswaar eerder lachte dan zijn mond, kon zijn gelach toch als brutaal betiteld worden, iets wat zij van zijn lippen wenste af te pakken. Het ding leek hoofdzakelijk te bestaan opdat hij er naar believen mee bezig kon zijn, mee kon spelen, en nu eigende zij zich een snijwerktuig toe, en toen hij er van niets wetend, namelijk slapend, bijlag, verwijderde zij van zijn verschijning wat er naar haar mening geenszins bij hoorde. Meteen liep ze met dit voorwerp, dat meer op een worstje dan op de loop van een kanon leek, de keuken in, pakte een braadpan van het rek, vette die eerst grondig in, legde toen dat ding er mooi in totdat het als een braadworst geroosterd was. Geloven jullie dat het haar smaakte toen zij daarvan at? Wat moet dat een genot zijn geweest om erin te bijten. Ze at het voor zijn ogen achterelkaar op. Maar hoe verhield hij zich nu tot deze smulpartij? Was hij blij met die eigenaardige soort blijdschap waar zij zich aan verzadigde? Was hij minder tevreden dan voorheen? Vonkten zijn ogen nu niet meer zo bruusk? Geen spoor daarvan. Hij was helemaal dezelfde. Zolang hij het ding had, bezat hij 't, en nu 't hem niet meer toebehoorde, was 't niet meer van hem. Zij was zeer verbaasd dat ze zich zo had opgewonden. Hij was niet veranderd, zij ook niet, doordat er dingen kunnen bestaan waar te veel waarde aan wordt toegekend aangezien het op een eigenaardigheid meer of minder niet zo erg aankomt zoals de meeste mensen denken.

vertaling machteld bokhove