(ohne Titel)

Endlich liess sie sich herab. Der Atem setzt mir hier schier aus. Ich vergehe beinahe. Die Feine in den hellen schönen Kleidern. Er durfte sie also neulich in seinem Heim erwarten. Er hatte zwei Diener kommen lassen, Lohnbediente, nicht wahr, die putzten ihm alles zurecht. Die Möbel glänzten. Auf dem mit geflicktem Teppich belegten Tisch stand ein Bouquet, d.h. genau gesagt, stand das Bouquet nicht direkt auf dem Tisch, vielmehr in einem hiefür auf den Tisch gestellten Gefäss. Das Fenster mit seinen Scheiben, na, ich sage Ihnen, das schimmerte als ein Lichteffekt. Das Zimmer schwamm ganz in lauter Sonne, und da kam sie nun, sie misstraute sich und ihm, während sie so die Stiegen, deren Stufen jungfraulich-reinlich abgewichst worden waren, emporstieg. Ihr Herz wusste nicht, was es fühlte, was es überhaupt wollte. Ein wunderbar reicher Schmuck thronte goldigverlockend in einer Pracht, die ich gern in aller Umständlichkeit beschreiben würde, auf der Kommode in einem länglichen Etui. Der war für den Engel bestimmt, der sich nun vor der Tür befand und das blonde Haupt leise senkte, wiewohl er an gar nichts dachte. Sie schmollte mit sich, weil sie ihm nicht genug schmollte. Man darf daher sagen, dass sie, indem sie nun anklopfte, schon wieder einmal die Vornehmerzürnte spielte. Sie brachte das so von zu Haus her und trug es eben treulich durch ihr Leben. "Herein!" rief's von drinnen. Als sie hereintrat, war die Stube leer. Nicht ein Bein, geschweige ein Mensch war da. Das Interieur gefiel ihr, sie staunte über die Sauberkeit. Jeder Gegenstand schien ihr ein Grüssgott entgegenzurufen. Ich bin empört über mich, dass ich das hier schreibe, und z.B. mitteilen soll, der Bengel, der er mir ist, habe sich im Moment, als er "Herein" rief, in den Kleiderschrank verkrochen, damit sich seine Vergötterte ärgere. Und das tat sie jetzt. "Nein, also, das ist etwas", sprach sie mit ihrem Kinderstimmchen zu sich. Da stand sie nun. Sie erblickte nun den Schmuck. Weshalb hätte sie ihn übersehen sollen? Nunmehr schmollte sie dem Schmuck, der sich über sie lustig machen zu wollen schien. "Der Unartige versteckt sich", sagte sie. Ich habe sagen wollen: "flüsterte sie", aber im Wort 'flüstern' liegt so was Unartiges, weshalb ich mich um gefällige Weglassung bat. Der Schmuck freute sich über seine Schönheit. Das klingt märchenhaft, aber ich meine, ich lasse es gern dabei bewenden. Märchen sind im Leben sowohl wie im Buchhandel ständig gesucht. Allerseits wird nach ursprünglichem, womöglich währschaftem Erleben getrachtet. Die Besten, Gediegensten sehnen sich wieder nach dem Einfachen. Nun, sprang er hervor? O dass ich mir nun den richtigen Gedanken rasch aus der Nase zöge. Nein, er verhielt sich still. Er ließ sie stehen. Auf der Strasse war's still, in der Stube ebenfalls. Vor lauter geschichtlicher Stille möchte ich einschlafen. Sie horchte, und er in seinem Schrank tat das auch. Wie gern sie sich mit dem Schmuck geziert hätte, ist etwas, was ich wieder mit allem Detail ausmalen möchte. Aber jetzt könnte er wirklich mit der Duckmäuserei Schluss machen. Kinderei, das! Ihm kam die Situation interessant vor, und sie ärgerte sich, dass sie sie spannend fand. Sie war das kleine Kind und er das grosse, oder vielleicht hat man das Recht, ihn für das kleine und sie für das grosse Kind zu halten. So genau kommt's ja nicht drauf an. Nachdem sie so und so viel Zeit verschwendet hatte, ging sie wieder. "Nie komm' ich wieder", gelobte sie sich. Ob sie wohl ihren Schwur hielt? Wir wissen es nicht. So viel wissen wir, dass er jetzt aus dem Schrank sprang und vor Vergnügen im Zimmer herumhüpfte. Er strahlte.

Aus dem Bleistiftgebiet, Band 1, Seite 173
September - Dezember 1924

(zonder titel)

Eindelijk had ze zich ertoe verwaardigd. Mijn adem stokt hier haast. Ik bezwijk bijna. Die chique in haar lichte mooie kleren. Hij mocht haar dus onlangs in zijn huis verwachten. Hij had twee bedienden laten komen, in loondienst wel te verstaan, die poetsten alles voor hem op orde. De meubels glansden. Op de met een versteld kleed bedekte tafel stond een boeket, d.w.z. het boeket stond om precies te zijn niet direct op tafel, maar beter gezegd in een hiervoor op tafel geplaatste vaas. Het raam met zijn glasruiten, nou, ik zeg u, het glom als een lichteffect. De kamer baadde helemaal in louter zonlicht, en daar kwam ze dan, ze wantrouwde zichzelf en hem terwijl ze de trappen besteeg op treden die maagdelijk-schoon waren afgeschrobd. Haar hart wist niet wat het voelde, wat het eigenlijk wilde. Een wonderbaarlijk kostbaar sieraad, van een goudkleurig verleidelijke pracht die ik graag in alle uitvoerigheid zou beschrijven, troonde in een langgerekte etui op de commode. Dat was voor die engel bestemd die zich nu voor de deur bevond en haar blonde hoofd licht liet zakken hoewel het helemaal nergens aan dacht. Ze was chagrijnig over zichzelf omdat ze niet chagrijnig genoeg was op hem. Je mag daarom zeggen dat ze zich, terwijl ze nu aanklopte, alweer een keer als voornaam-vertoornd voordeed. Ze had dat van huis uit meegekregen en ze droeg het gewoon haar leven lang trouw met zich mee. "Binnen!" werd er geroepen vanachter de deur. Toen ze binnenstapte was het vertrek leeg. Nog geen been, laat staan een mens was er te zien. Het interieur beviel haar, ze verbaasde zich over de netheid. Ieder voorwerp leek haar een goedendag toe te roepen. Ik ben verontwaardigd over mezelf dat ik dit hier opschrijf, en bv. moet meedelen dat de bengel, die hij voor mij is, meteen toen hij "Binnen" riep was weggekropen in de klerenkast opdat zijn aanbedene zich zou ergeren. En dat deed ze nu. "Nee toch, dat is me wat", zei ze met haar kinderstemmetje tegen zichzelf. Daar stond ze nu. Ze merkte nu het sieraad op. Waarom zou ze dat over het hoofd hebben moeten zien? En nu werd ze chagrijnig op het sieraad dat de spot met haar leek te willen drijven. "De stouterd verstopt zich", zei ze. Ik had willen zeggen: "fluisterde ze", maar in het woord 'fluisteren' zit zoiets stouts, dus vroeg ik mezelf om het keurig weg te laten. Het sieraad verheugde zich over zijn eigen schoonheid. Dat klinkt sprookjesachtig, maar ik denk dat ik het daar graag bij laat. Sprookjes zijn in het leven, net als in de boekhandel, altijd erg in trek. Aan alle kanten wordt gestreefd naar een oorspronkelijke, zo mogelijk fatsoenlijke levenswijze. De beste, de zuiverste mensen verlangen weer naar het eenvoudige. Welnu, sprong hij tevoorschijn? O, als ik mezelf nu maar snel het juiste idee kan ontfutselen. Nee, hij hield zich stil. Hij liet haar staan. Op straat was 't stil, in het vertrek eveneens. Van louter verhaalstilte zou ik in slaap kunnen vallen. Zij luisterde scherp, en hij deed dat in zijn kast ook. Hoe graag zij zich met het sieraad had getooid is iets wat ik weer graag tot in detail zou willen schilderen. Maar nu zou hij echt een einde kunnen maken aan het stiekeme gedoe. Wat een kinderachtig gedoe! Hij vond de situatie interessant, en zij ergerde zich omdat ze het spannend vond. Zij was het kleine kind en hij het grote, of misschien heb je het recht om hem voor het kleine kind aan te zien en haar voor het grote. Zo nauw komt 't er toch niet op aan. Nadat ze zo en zoveel van haar tijd had verspild ging ze weer weg. "Nooit zal ik terugkomen", nam ze zich heilig voor. Of ze zich wel aan haar eigen belofte hield? We weten het niet. Al wat we weten is dat hij nu uit de kast sprong en in de kamer rondhuppelde van plezier. Hij straalde.

vertaling machteld bokhove
november 2017