(ohne Titel)

Diese Schneelandschaft wünsche ich mir hübsch. Hoffentlich fällt sie auch so aus. Sie war eben erst frisch, der Schnee bei einiger Weichheit immer noch von genügender Härte. In mir sieht's jetzt tugendreich aus. Ich will gegen die Leute lieb sein, aber in der Voraussetzung, dass ich sie alle zusammen auf‘s Schönste entbehren kann. Ich will nett sein, doch nicht zu sehr. Sieh da, was für Massnahmen. Ich komme mir, diese Zellen schreibend, gleichsam licht, hell vor, in eine dünne Schicht, in einen Hauch Vortrefflichkeit versetzt, sozusagen hineingeschoben wie eine Semmel, die gebacken werden soll. Ich denke in Zukunft sehr genügsam zu sein. Anspruchslosigkeit ist eine Waffe, vielleicht eine der glänzendsten, die es im Leben gibt. Ich sah einst auf der Bühne in einem Ritterstück einen jungen König, dessen Rüstung wundervoll schimmerte. Am Anfang des Stücks benahm er sich sehr unglücklich. Sein sehr betrübtes Benehmen war genügend begründet. Aber ein mutiges Mädchen half ihm. Es ist ja so schön, wenn den Hülflosen jemand beispringt, um sie aus einer Welt von Verlegenheiten zu ziehen. Ähnlich wie eine weissschimmernde Rüstung lag heute die Schneedecke auf dem Land, das ich durchschritt. Es lacht jemand, aber ich fahre fort mit Schreiben. Ich lache selber, wenn ich an die sechs bis sieben Personen denke, die einander in einem fort erzählten, wie sie sich dann und dann und hier und dort freuten. Diese sechs Menschen besassen alle solche strahlenden Gesichter, und ihre Manier war von solch jubelnder, jauchzender Art, dass man bei ihrem Anblick das Leben für einen Paradiesgarten hätte halten sollen. Eine Person versicherte der andern, sie komme schier vor Daseinsfreude um. „Alles, was ich tu, wird mir zu nichts als Lust", sprach jedes. Das Leuchten aus lauter Liebe zu den Dingen und allem, was ihnen begegnete, war ihnen zur Gewohnheit geworden. Zu meiner Schneelandschaft zurückkehrend, die mir schon beinah ein bisschen zürnt, weil ich sie scheinbar im Stich liess, im Glauben, sie würde mich nicht allzusehr vermissen, sage ich, dass sie sich wie ein Bildnis der Ruhe ausnahm. Der Schnee nimmt ja allen Lärm warm in einen Arm, er bildet an sich ein Haus, worin es still hergeht. Ein Herr aus besseren Kreisen stand gedankenvoll am Weg. Ich sah einen Schlitten hinfliegen, und der Herr sagte zu mir: "In dem Schlitten sitzt meine Frau mit ihrem Galan.“ „Das wird für Sie bestimmt(e) Folgen haben", glaubte ich bemerken zu müssen und dürfen. Eine Schneelandschaft gleicht einem Kind, das zur Konfirmation geht, einer Braut, die vor den Altar tritt. Natürlich würde man noch sonstige Vergleichungen herbeiziehen können, obwohl nicht gerade an den Haaren oder Ohren, wie unfolgsame Schüler von strafenden Lehrern gezogen werden. Ich begegnete einem Bildner oder Schilderer, der von der Schneelandschaft eine künstlerische Wiedergabe anfertigte, und einer vertriebenen Prinzessin, die mir auf meine Frage, wohin sie sich zu begeben denke, zur Antwort gab, sie glaube, es schicke sich für sie, Erzieherin zu werden, wozu ich ihr nicht ohne einen Anflug von Bekümmertheit gratulierte. Bäume stehen auf der weissen Fläche spielend zart. Das Weiss liegt auch auf den Dächern, die sich beinah bis zum Boden herabneigen, und aus einem der Häuser zieht vielleicht ein Jüngling gerade jetzt in die Lehrzeit, die nicht ausschliesslich verzuckert zu sein braucht, und im anderen Haus kann ein Kind krank im Bett liegen und dadurch seiner Mutter grosse Sorgen machen. Der Schnee denkt an nichts, dafür tu ich es, und es ist schön, hie und da etwas wie einen Gedanken zu haben, der kein allzu tiefer und langer ist und dich darum nicht ermüdet. Dörfchen, es sind nicht potemkinsche, sondern wirkliche, liegen wie zauberische und potemkinsche kulissenhaft gemalt in einiger Entfernung, so von der Sanftheit der milden Kälte des Wintertages umzittert. In einer Wirtsstube sagte einer, der mir politisch arriviert zu sein schien, zu seinem ähnlich aussehenden Kollegen: "Geringe Leute sind manchmal auch noch bei gesundem Verstand." Wer am Ruder ist, kann sich den Luxus der Gutmütigkeit erlauben. Ich kenne ein unglaublich graziöses Schlittengedicht von Schubart und eine sehr ergreifende Damenpelznovelle von Turgenjew, und was würde mich hindern, hier das Shakespeare'sche „Wintermärchen" aus der Schublade meiner Leseerinnerungen hervorzuziehen und neu im Geist bewundernd zu begucken und zu dieser schönsten Dichtung dankbar ja zu sagen, aus der ja die rührendste Frau hervorsteigt, jene unschuldig Beschuldigte, nach langen Jahren der Trennung und Verbannung Reinbefundene, die sich all diese Zeit über unenträtselthafterweise im stilvollst eingerichteten Nebengemach aufhielt und sich aus Klugheit in eine Statue verwandelt hatte? Wie manche Herzensangelegenheit hat sich schon im Schnee zugetragen, der einem auf der Szene liegenden Teppich glich. Ich könnte diesem Aufsatz noch allerlei beifügen, was mir aber zum Glück nicht durchaus nötig scheint. Mich zu überarbeiten verbietet mir die Idee der täglichen Arbeit, und somit sage ich nun gute Nacht.

Aus dem Bleistiftgebiet, Band V, Seite 83,
Februar –April 1926

(zonder titel)

Dit sneeuwlandschap wil ik graag mooi hebben. Hopelijk valt het ook zo uit. Het was net nog vers, de sneeuw was ondanks enige zachtheid nog altijd van voldoende stevigheid. In mij ziet 't er nu deugdzaam uit. Ik wil lief zijn tegen de mensen, maar met als uitgangspunt dat ik ze allemaal tezamen met het grootste gemak kan ontberen. Ik wil aardig zijn, maar niet te zeer. Kijk eens aan wat voor een maatregelen. Ik kom mezelf, nu ik deze regels schrijf, in zekere zin helder, stralend voor, verplaatst in een dun laagje, in een zweem van voortreffelijkheid, als het ware in elkaar gekneed als een broodje dat gebakken moet worden. Ik denk dat ik in de toekomst met weinig tevreden zal zijn. Bescheidenheid is een wapen, misschien wel een van de schitterendste die er in het leven bestaan. Ik zag ooit op het toneel in een ridderstuk een jonge koning wiens uitrusting fantastisch glansde. Aan het begin van het stuk gedroeg hij zich heel ongelukkig. Voor zijn zeer droevige gedrag was voldoende reden. Maar een moedig meisje hielp hem. Wat is het toch mooi als iemand de hulpelozen bijspringt om hen uit een wereld van narigheid te trekken. Precies zoals een witglanzende uitrusting lag het sneeuwdek vandaag op het landschap waar ik doorheen stapte. Er lacht iemand maar ik ga door met schrijven. Ik lach zelf als ik aan die zes of zeven personen denk die elkaar aan een stuk door vertelden hoe blij ze toen en toen en hier en daar waren. Deze zes mensen hadden allemaal zulke stralende gezichten, en hun manier van doen was van zo’n jubelende, juichende aard dat je het leven bij de aanblik van hen voor een paradijstuin had moeten houden. Eén persoon verzekerde de anderen dat ze bijna omkwam van levensvreugde. “Alles wat ik doe eindigt voor mij in niets anders dan plezier”, zeiden ze allemaal. Het glunderen van louter liefde voor de dingen en alles wat ze tegenkwamen was voor hen gewoonte geworden. Terugkerend naar mijn sneeuwlandschap, dat al bijna een beetje boos op me is omdat ik het ogenschijnlijk in de steek liet, ervan overtuigd dat het me niet al te zeer zou missen, zeg ik dat het zich gedroeg als een toonbeeld van rust. De sneeuw neemt immers al het lawaai warm onder haar arm, ze vormt zelf een huis waarin het stil toegaat. Een meneer uit de betere kringen stond peinzend langs de weg. Ik zag een slede wegvliegen, en die meneer zei tegen mij: “In die slede zit mijn vrouw met haar vrijer.” “Dat zal bepaalde gevolgen voor u hebben”, meende ik op te moeten en mogen merken. Een sneeuwlandschap lijkt op een kind dat ter confirmatie gaat, op een bruid die voor het altaar treedt. Natuurlijk zou je er nog andere vergelijkingen bij kunnen slepen ofschoon nou niet bepaald met de haren of oren, zoals ongehoorzame kinderen er door straffende leraren bijgesleept worden. Ik kwam een kunstenaar of schilder tegen die een artistieke weergave van het sneeuwlandschap vervaardigde, en een verdreven prinses die mij op mijn vraag waar ze zich heen dacht te begeven ten antwoord gaf dat ze geloofde dat het passend voor haar was om opvoedster te worden, waarmee ik haar niet zonder een tikkeltje bezorgdheid feliciteerde. Speels sierlijk staan er bomen op de witte vlaktes. Het wit ligt ook op de daken die bijna tot aan de grond neigen, en uit een van die huizen vertrekt misschien uitgerekend nu een jongeman om aan zijn leertijd te beginnen die niet uitsluitend met suiker bestrooid hoeft te zijn, en in het andere huis kan een klein kind ziek in bed liggen en daardoor zijn moeder grote zorgen baren. De sneeuw denkt nergens aan, daarom doe ik het, en het is leuk om hier of daar een gedachte te hebben die niet al te diep of te lang is en je daarom niet vermoeit. Dorpjes, geen Potemkinachtige maar echte, liggen geschilderd als een betoverende en Potemkinachtige coulisse op enige afstand, helemaal trillend omhuld door de zachtheid van de milde kou van een winterdag. In een kroeglokaal zei iemand, die mij politiek gearriveerd leek, tegen zijn net zo ogende collega: “Het gewone volk is soms ook nog goed bij zijn verstand.” Wie aan het roer staat kan zich de luxe van goedmoedigheid veroorloven. Ik ken een ongelooflijk gracieus sledegedicht van Schubart en een zeer aangrijpende damesbontnovelle van Tourgenjev, en wat zou me ervan weerhouden hier het Shakespeariaanse “Wintersprookje” uit de schuiflade van mijn leesherinneringen tevoorschijn te trekken en in mijn geest opnieuw bewonderend te aanschouwen en dankbaar ja te zeggen tegen dit mooiste gedicht waaruit immers de ontroerendste vrouw oprijst, die onschuldig beschuldigde, na lange jaren van scheiding en verbanning schandevrij bevonden, die zich al die tijd op raadselachtige wijze in het stijlvolst ingerichte nevenvertrek ophield en zich uit wijsheid in een standbeeld had veranderd? Wat hebben zich al veel gevoelsaangelegenheden afgespeeld in de sneeuw die wel een op het toneel liggend tapijt leek. Ik zou nog van alles aan dit opstel kunnen toevoegen wat me gelukkig toch niet echt nodig lijkt. Mijzelf overwerken wordt mij verboden door mijn idee van dagelijks werk, en daarmee zeg ik nu goedenacht.

vertaling machteld bokhove