Krisis

Dass bisweilen spielende Kinder fröhlich zu sein vermögen, stimmt mich kritisch.
Ob man diesen vielleicht nicht gerade, was die Verfassersverfassung betrifft, hellaufjauchzenden Satz kritisieren kann?
lch wünschte, ich sei berechtigt, die Behauptung Herrn Zigerlis beanstanden zu können, die sich auf eine seiner Meinung nach innerhalb der Grenzen der menschlichen Gegenwartsgesellschaft vorhandene Munterkeitskrisis bezieht.
Darf ich dem Leser in erwähntem Herrn eine sich zu ihrer Führerolle nicht allzu einheitlich beglückwünschende Bildungsbefürwortungspersönlichkeit vorstellen?
Kunst und Literatur, und was solche Feinheiten, die leicht Miene machen, sie seien verstimmt oder fühlten sich zurückgesetzt, mehr sein mögen, sind nun ja meines Erachtens nach eigentlich von jeher sozusagen ein bisschen krisisfähig gewesen.
Die Lebensunüberdrüssigkeit übrigens, die man mit verhältnismässig gleichsam nur geringer Beobachtungsemsigkeit nicht nur hie und da, sondern so gut wie überall zu konstatieren vermag, lässt mich einesteils einen Umstand sehen und scheint mir anderseits eine Tatsache zu sein, die mich nicht abhalten können, mich eines gewissermassen sachermasochelig veranlagten Menschen zu erinnern, mittels dessen totaler Abwesenheit aus der Räumlichkeit, worin er sich samt seinen keineswegs unanzweifelbaren Eigenschaften täglich angesiedelt sah, ich mit seiner Frau eine ebenso kritische wie selbstverständlich lediglich okkasionelle Unterhaltung zu führen versucht war.
Indem ich ihr die Erlaubnis erteilte, mir nicht zu untersagen, ihre warme und gleichzeitig kalte Hand mit meinem Mund in eine mit neunzehntjahrhundertlicher Innigkeit zustande gebrachte, salonhafte Eleganz zum Ausdruck tragende Berührung zu bringen, hörte ich die durch meine sämtlichen Wenigkeiten hochverehrte Weiblichkeitsvertreterin sagen:

Mein Mann jagt allen Unterröcklichkeiten nach
und lässt mich einsam im Gemach.
Bin ich zu freundlich mit ihm umgegangen,
dass er mich zu umgehn hat angefangen?

Leise fügte sie bei: "Seien Sie diskret."
Ich versprach es ihr. Wann hätte je ein sprachgewandter und doch wieder wortkarger Worteaneinanderreiher nicht Wort gehalten?

Mikrogram 350/I
Gesamtwerke Teil 19, Seite 122
Oktober-Dezember 1928

Crisis

Dat spelende kinderen af en toe blij kunnen zijn stemt me kritisch.
Of deze opvatting, die wat haar poneerders gedisponeerdheid betreft misschien niet bepaald een jubeluitbarsting is, ook bekritiseerd kan worden?
Ik zou willen dat ik gerechtigd was om de bewering van de heer Zigerli aan te vechten die betrekking heeft op een naar zijn mening binnen de grenzen van de huidige menselijke samenleving bestaande vrolijkheidcrisis.
Mag ik genoemde heer aan de lezer voorstellen als een persoonlijkheid in bepleiting van ontwikkeling die zichzelf in zijn leidersrol niet al te samenhangend gelukwenst?
Kunst en literatuur, en wat er nog meer mag bestaan aan zulke fijnzinnigheden die gauw een gezicht trekken alsof ze ontstemd zijn of zich achtergesteld voelen, zijn nu eenmaal mijns inziens eigenlijk van oudsher zogezegd een beetje crisisgevoelig geweest.
Trouwens, die onuitputbaarheid in levenslust, die je met zogezegd relatief slechts geringe observatiedrift niet slechts hier en daar maar zo goed als overal kan constateren, laat me enerzijds een verschijnsel zien en lijkt me anderzijds een feit die mij er tezamen niet van kunnen weerhouden terug te denken aan een enigszins sacher-masochelig aangelegde man wiens totale afwezigheid in de ruimte waarin hij samen met zijn geenszins ontwijfelachtige eigenschappen was gehuisvest mij ertoe verleidde om met zijn vrouw een even kritisch als vanzelfsprekend louter incidenteel gesprek te voeren.
Door haar toestemming te verlenen mij niet de mogelijkheid te ontzeggen om haar warme en tegelijk koude hand met mijn mond in een soort aanraking te brengen die een met negentiende-eeuwse innigheid tot stand gebrachte, salonachtige elegantie tentoonspreidde, hoorde ik deze door al mijn onbeduidendheid hoogvereerde vertegenwoordigster van de vrouwelijkheid zeggen:

Mijn man jaagt al-wat-lijkt-op-onderrokjes na
terwijl ik thuis van eenzaamheid verga.
Laat ik teveel aan aardigs blijken
dat hij me steeds meer gaat ontwijken?

Zachtjes voegde ze er aan toe: "Wees discreet."
Dat beloofde ik haar. Wanneer had iemand die, welbespraakt en toch ook spaarzaam in woordgebruik, woorden aaneenreeg niet zijn woord gehouden?

vertaling machteld bokhove