(ohne Titel)

Das Kind wuchs, aber es wusste das nicht. Welch merkwürdiger Essayanfang. Vermutlich schreibe ich hier eine Art Geschichte, die irgendwie und -wo aufhören wird, als sei der Verfasser kindlich. Reich war das Kind, wenn es schlief, denn sein Schlaf war prächtig. Mitunter beugte sich ein Erwachsener über das Gesicht des Schlafenden und fand es entzückend und benied es beinahe um sein Ruhenkönnen, um seine Kunst bezüglich des Absolutstillseins. Vom Kind ist zu sagen, dass es noch nie erfahren hatte, was Dienstleistungen sind. Vormittag mochte es sein, so gegen elf Uhr, als das Kind einem Vogel, der durch die Luft flog, nachschaute. Dies übrigens durchaus nur nebenbei. Was ich mit Erlaubnis des Lesers hervorheben möchte, ist folgendes: Das Kind half niemandem und ersuchte wieder seinerseits keinen Menschen, ihm irgendwie beizustehen. Ein solcher Satz mag als sicher ziemlich eigenartig empfunden werden. Erwachsene denken doch wohl hie und da an das Besondere ihrer Herkunft, beispielsweise an das Haus und an die Stadt, worin sie geboren und aufgezogen wurden. Mein Kind hier jedoch tat dies nicht. Vielleicht war es hiezu nicht imstande. Es schwieg reichlich, und wenn ich seine Schweigsamkeit mich als gross zu bezeichnen unterstehe, so mahne ich nicht allzu ernsthaft an etwas Natürliches, denn in der Tat mutet bisweilen die Art, wie Kinder in Kinderwägelchen liegen oder wie sie an der Hand, sagen wir, ihrer Mütter gravitätisch spazierengehen, zierlich, doch zugleich auch fremdartig an. Zwischen den Ältergewordenen und den noch vollständig Jungen besteht zweifellos etwas wie eine seltsame, will sagen fraglich anmutende Distanz oder Entfernung. Doch zunächst hübsch rasch nun wieder zur Sache. Das Kind trug ein Röckchen, und aus keinem anderen Grund, als weil sich dies so und nicht anders verhielt, wurden Wesen, die man Knaben betitelt, in seiner Zugegenheit übermütig, was das Kind nicht zu verstehen vermochte, da es noch wenig oder überhaupt keine Kenntnisse besass. Die Belustigtheit der Knaben wuchs in dem Mass, als sie zu sehen in die Lage kamen, dass das Kind ratlos, unwissend dreinschaute. Diese Ratlosigkeit im Benehmen des Kindes war an sich schön, aber von dieser Schönheit merkten die Knaben nicht das geringste. Man ist hauptsächlich Knabe darum, dass man so ein kleines Kind zu beunruhigen versucht, und man ist Kind vorwiegend deshalb, weil man eine Ernsthaftigkeit präsentiert, die man nicht kennt, die ganz einfach bloss um ihretwillen da ist. "Du könntest dich verirren, liebes Kind. Komm, vertraue dich mir an. Ich bin die bekannte Frau Doktor Kinderlieb, du Armes, du", wurde zu ihm gesprochen, doch es gab mit sichtlicher Unmittelbarkeit zur Antwort, die man ebensogut Unwillkürlichkeit nennen kann: "Nein. Merci vielmal." "Du willst also nicht mit mir gehen?" "Nein." "Warum nicht?" "Ich weiss es nicht." "Häl[t]st du dich für eine abgeschlossene Persönlichkeit?" Auf diese Frage verzichtete das Kind etwas verlauten zu lassen. O, ihm kamen alle oder wenigstens die meisten Menschen gut und schön, d.h. untadelhaft vor, und es hatte an dieser Gesinnung eine Freude, die einem unaufhörlich vorhandenen Bumbum oder Guetzi, d.h. einer Süssigkeit aus der Konditorei glich. Hierüber liesse sich unter Umständen an und für sich schon ein hundert Druckseiten starkes Buch schreiben, das freilich nicht spannend, aber dafür vielleicht wohltuend ausfiele. [...] nette kleine Unberührte als [...] Grazie der Kinder, die eher eine an nichts denkende Nachdenklich[keit] als ein äußerlicher Vorzug ist, den ein Kind meiner Meinung nach nicht beansprucht, der ihm vielfach aus dem Bedürfnis heraus, eine Allerliebstheit in ihm zu erblicken, angedichtet wird. Nie hielt sich das Kind für hübsch. Zu einer solchen Vorspiegelung fähig zu sein, war es zu ernst. Ein Erwachsener ist nie so allein wie ein Kind, das einsam ist, da es das Einsamsein noch nicht kennt. Denn wenn ich mir sage, ich sei einsam, leiste[t] mir mein Wissen schon Gesellschaft. Ist dies absolute Alleinsein beim Kind das Rührende an ihm? Das Kind war nie über sich gerührt, aber es flösste anderen die Idee ein, es verdiene gefühlvolle Beachtung. Dass es ausnahmsweise Prätsche erhielt, gefiel ihm, weil ihm der unbeschreiblich flüchtige Gedanke, der ihm sagte, man messe ihm etwas wie eine Wichtigkeit bei, schmeichelte. Beständig arbeitete es irgendwie an sich, strengte sich auf allerlei Art an, kannte das Liebhaben und Geliebtsein noch nicht im mindesten, strebte, ohne hievon eine Ahnung zu haben, nach etwas ganz und gar Nutzlosem, nämlich danach, dass man es achte, und kein Mensch hielt das auch nur im Entferntesten für denkbar. Konnte etwas derartiges ein Kind glücklich machen? Alle, die es umgaben, meinten in einem fort, es wünsche glücklich zu sein, aber es wünschte das nicht. Ja, in dieser Hinsicht hat man es keineswegs zu verstehen vermocht. Von ihm war selbstverständlich keine Aufklärung nach diesbezüglicher Richtung hin zu erwarten. Wie unglücklich man es manchmal machte, weil man es glücklich wissen wollte. Gequält, wie es sich vorkam, weinte es dann und suchte betend einen Weg zu Gott. Hier, wo ich meine kurze Untersuchung begrenze, worin mir womöglich einiges Interessante zu sagen gelungen sein mag, finge womöglich erst recht eine Art Roman an.

Aus dem Bleistiftgebiet, Band 5, Seite 228
November - Dezember 1928

(zonder titel)

Het kind groeide, maar het had er geen weet van. Wat een merkwaardig begin van een essay. Vermoedelijk schrijf ik hier een soort verhaal dat op de een of andere manier en plaats zal ophouden alsof de auteur kinderlijk is. Het kind was rijk als het sliep want zijn slaap was schitterend. Soms boog een volwassene zich over het gezicht van de slapende en vond het verrukkelijk en hij benijdde het bijna om zijn rusttalent, om zijn kunst inzake het absolute stil zijn. Over het kind kun je zeggen dat het nog nooit heeft ervaren wat dienstverlening is. Het kon 's ochtends zijn, zo tegen elf uur, toen het kind een vogel nakeek die door de lucht vloog. Dit overigens slechts terzijde. Wat ik met toestemming van de lezer graag naar voren wil brengen is het volgende: het kind bood hulp aan niemand en het vroeg ook van zijn kant aan geen mens om hem op de een of andere manier bij te staan. Zo'n zin mag beslist als tamelijk eigenaardig worden ervaren. Volwassenen denken nog wel eens aan het bijzondere van hun herkomst, bijvoorbeeld aan het huis en aan de stad waarin ze werden geboren en opgevoed. Maar mijn kind hier deed dat niet. Misschien was het hier niet toe in staat. Het zweeg in alle talen, en als ik zijn zwijgzaamheid als groots waag te betitelen, dan herinner ik niet al te serieus aan iets natuurlijks, want de wijze waarop kinderen in kinderwagentjes liggen of waarop ze aan de hand, laten we zeggen, van hun moeders, plechtstatig uit wandelen gaan, doet toch inderdaad tegelijk ook zonderling aan. Tussen de ouder geworden en nog heel erg jonge mensen bestaat ongetwijfeld zoiets als een vreemde, dat wil zeggen, onzeker aandoende afstand of verwijdering. Maar nu eerst weer lekker snel ter zake. Het kind droeg een rokje, en om geen andere reden dan omdat dit zo was en niet anders, werden wezens die we jongens noemen in aanwezigheid van dat kind overmoedig, wat het niet kon begrijpen aangezien het nog weinig of helemaal geen kennis bezat. De vrolijke gestemdheid van de jongens groeide in die mate dat ze de gelegenheid kregen om te zien dat het kind radeloos, onervaren toekeek. Deze radeloosheid in het gedrag van het kind was op zich mooi, maar de jongens merkten van dit moois helemaal niets. Je bent hoofdzakelijk jongen om te proberen zo'n klein kind te verontrusten, en je bent overwegend kind omdat je een ernstigheid aan de dag legt die je niet kent, die er heel simpel alleen om harentwille is. "Je zou je kunnen vergissen, lief kind. Kom, vertrouw me maar. Ik ben die bekende mevrouw dokter Kinderlief, jij, jij arme ziel", werd er tegen hem gezegd, maar het gaf met zichtbare onmiddellijkheid, die je net zo goed onwillekeurigheid kan noemen, ten antwoord: "Nee. Duizendmaal merci." "Je wil dus niet met mij meegaan?" "Nee." "Waarom niet?" "Dat weet ik niet." "Zie je jezelf als een afgesloten persoonlijkheid?" Na deze vraag zag het kind ervan af nog iets te berde te brengen. O, het vond alle mensen, of op z'n minst de meeste, goed en mooi, d.w.z. onberispelijk, en het beleefde aan deze overtuiging een vreugde die leek op een onophoudelijk aanwezig boemboem of op kransjes, d.w.z. op een zoetigheid uit de banketbakkerij. Hierover kon je op zich al een honderd pagina's dik boek schrijven dat weliswaar niet spannend uit zou vallen maar misschien wel verfrissend. […] aardige kleine ongerepte als […] bevalligheid van kinderen die eerder een nergens aan denkende nadenkendheid is dan een uiterlijk pluspunt, waar een kind naar mijn mening geen aanspraak op maakt, die hem dikwijls wordt toegedicht vanuit de behoefte iets schattigs in hem te zien. Nooit zag het kind zichzelf als leuk. Om tot een dergelijke voorspiegeling in staat te zijn was het te ernstig. Een volwassene is nooit zo eenzaam als een kind dat eenzaam is, omdat het de eenzaamheid nog niet kent. Want als ik tegen mezelf zeg dat ik eenzaam ben, dan houdt mijn kennis daarvan mij al gezelschap. Is dit absolute alleen zijn bij het kind het ontroerende aan hem? Het kind was nooit ontroerd over zichzelf, maar het gaf anderen het idee dat het gevoelige aandacht verdiende. Dat het bij uitzondering slaag kreeg beviel hem omdat het zich gevleid voelde door de onbeschrijflijk vluchtige gedachte die hem zei dat hem zoiets als belang werd toegekend. Het werkte voortdurend aan zichzelf, het spande zich op allerlei manieren in, het kende het liefhebben en geliefd zijn nog niet in 't minst, het streefde, zonder hier enig vermoeden van te hebben, iets volslagen nutteloos na, namelijk dat het gerespecteerd werd, en geen mens hield dat ook maar in de verste verte voor mogelijk. Kon iets dergelijks een kind gelukkig maken? Iedereen die het omringde dacht aan een stuk door dat het gelukkig wilde zijn, maar dat wilde het niet. Ja, in dit opzicht heeft niemand het ooit kunnen begrijpen. Van hem viel vanzelfsprekend geen opheldering in enige richting daaromtrent te verwachten. Wat maakten ze het soms ongelukkig omdat ze er zeker van wilden zijn dat het gelukkig was. Het voelde zich dan zo gekweld dat het huilde en biddend een weg zocht naar God. Hier, waar ik een eind maak aan mijn korte onderzoek waarin het mij misschien gelukt is iets interessants te zeggen, zou misschien pas echt een soort roman beginnen.

vertaling machteld bokhove