Wladimir

Wir nennen ihn Wladimir, weil das ein seltener Name ist und er in der Tat ein Unikum war. Die, denen er komisch vorkam, haschten nach einem Blick, einem Wort von ihm, womit er sparsam umging. In minder guter Kleidung benahm er sich zuversichtlicher als in gewählter und war im Grunde ein guter Mensch, der nur den Fehler beging, dass er sich Mängel andichtete und -heftete, die ihm abgingen. Er war hauptsächlich schlecht gegen sich selber. Ist das nicht unverzeihlich?
Einmal wohnte er bei einem Ehepaar und war nicht mehr wegzutreiben. "Es wäre Zeit, dass Sie uns allein liessen", wurde ihm bedeuchtet; er schien es kaum zu fassen, sah die Frau lächeln und den Mann erblassen. Die Ritterlichkeit war er selbst. Dienen gab ihm allemal einen hohen Begriff von der Freude des Daseins. Er konnte hübsche Frauen nicht mit Köfferchen, Paketen und so weiter beladen sehen, ohne herbeizuspringen und den Wunsch zu äussern, behilflich zu sein, wobei er immer die zarteste Befürchtung der Aufdringlichkeit zuerst bekämpfte.
Woher stammte Wladimir? Doch wohl von niemand als seine Eltern. Eigenartig scheint, dass er bekennt, im Unglück oft fröhlich, im Erfolg mürrisch gewesen zu sein, und dass er sagt, der Zug seines Wesens sei Arbeitsamkeit. Nie sah man einen so zufriedenen und zugleich unzufriedenen Menschen. Keiner war rascher und handkehrum unentschlossener.
Einmal bat ihn ein Mädchen, sich dann und dann einzufinden, und liess ihn warten. Ihm kam das überraschend vor. Eine andere meinte: "Ihnen behagt es, geprellt zu werden. Haben Sie nicht an Spässen, die an Unachtsamkeit grenzen, besondere Vorliebe?"
"Sie irren sich" war alles, was er antwortete.
Er trug keinem Menschen etwas nach, denn "ich habe ja auch schon oft mit Menschen übel gespielt".
Im Damencafé amüsierten ihn Mienenspiel und Äusserungen der Gästinnen. Übrigens war er kein Freund von zuviel Zerstreuungen, so sehr er sie ausnahmsweise schätzte. Er dachte an alles, um es im Nu zu vergessen, war ein guter Rechner, weil er seinem Gemüt nicht Macht auf ihn auszuüben erlaubte.
Die Frauen schätzten ihn gering, aber nicht ohne sich immer wieder für ihn zu interessieren. Sie nannten ihn zaghaft, aber er sie ebenfalls. Sie spielten mit ihm und fürchteten ihn.
Zu einer Dame, die ihm ihren Reichtum auf vielleicht nur zu geschickte Art vor Augen führte, war er so höflich, wie man ist, wo man nichts empfindet. Er fand ungebildete Mädchen vom Bedürfnis nach Belehrung beseelt und andrerseits solche, die alles lasen und nun beinahe unwissend zu sein wünschten. Für erlittenes Unrecht rächte er sich nie und rächte sich vielleicht damit genügend. Die, die ihn nicht behandelten, wie er's gewünscht hatte, liess er, wie man sagt, fallen, das heisst, er gewöhnte sich daran, an viel Unliebsames nicht zu denken. Damit schützte er sein Seelenleben vor Verwilderung, seine Gedanken vor ungesunder Härte.
Musik stimmte ihn weich, das geht den meisten so. Sah er sich von einem Mädchen bevorzugt, so kam ihm das vor, als wolle sie ihn binden, und ging ihr aus dem Weg. Misstrauisch war er wie ein Südländer, sowohl gegen sich wie andere; häufig eifersüchtig, doch nie lang, da ihn die Selbstachtung schnell von den Verfolgungen des Neides befreite, der ihm, kaum erwacht, unbegründet, nichtig erschien.
Als er einen Freund verlor, sagte er sich: "Er verliert soviel wie ich." Er verehrte eine, bis sie einen Fehler beging, und es ihm nicht mehr möglich war, sich nach ihr zu sehnen. Eine Übereilung von ihr hatte zur Folge, dass er über sie lachte, und darüber war er froh. Die Partnerin bedauernd, brauchte er das sich selbst gegenüber nicht mehr zu tun.
Er blieb jung und benützte diese Stärke zur Gewinnung und Übung der Achtung vor denen, die am nötigsten haben, dass man nicht fühllos an ihnen vorbeiblickt, den Schwachen und Bejahrten. Reden wir zu gut von ihm?
Manchmal führt er sich wie ein Lebemann auf, besucht sogenannte ordinäre Kneipen. Es gibt Leute, die ihn darum tadeln, aber selber gern einmal lustig wären, was ihnen ihre Sphären nicht immer gewähren. Man hat ihn nachgeahmt, aber der Originelle bleibt, was er ist. Nachahmen ist übrigens ganz natürlich.
Auch Kopien können ansprechen, aber nur der Eigentümlichkeit entspringt, was grossen Wert hat.

(aus der Sammlung "Die Rose", 1924)

Wladimir

Wij noemen hem Wladimir omdat het een bijzondere naam is en hij inderdaad een unicum was. Degenen die hem komisch vonden, snakten naar een blik, een woord van hem, waar hij spaarzaam mee was. In minder goede kleding gedroeg hij zich zelfverzekerder dan in chique en hij was welbeschouwd een goed mens die alleen de fout beging dat hij zich gebreken toedichtte en ten laste legde die hij niet had. Hij was voornamelijk slecht voor zichzelf. Is dat niet onvergeeflijk?
Eens woonde hij bij een echtpaar en was er niet meer weg te slaan. "Het wordt tijd dat U ons alleen laat" werd hem te verstaan gegeven; hij leek het nauwelijks te begrijpen, hij zag de vrouw glimlachen en de man verbleken. Hij was de ridderlijkheid zelve. Dienstbaar zijn gaf hem telkens een verheven opvatting van de vreugde van het bestaan. Hij kon mooie vrouwen, beladen met koffertjes, pakketten en dergelijke, niet aanzien zonder toe te springen en de wens te uiten behulpzaam te zijn, waarbij hij eerst altijd vocht tegen de geringste schroom voor opdringerigheid.
Waar kwam Wladimir vandaan? Toch heus van niemand anders dan zijn ouders. Het lijkt eigenaardig dat hij bekent bij tegenslag vaak vrolijk, bij succes vaak wrevelig geweest te zijn, en dat hij arbeidzaamheid als de karakteristieke trek van zijn wezen noemt. Nog nooit zag men zo'n tevreden en tevens ontevreden mens. Niemand was sneller en tegelijk besluitelozer.
Eens smeekte een meisje hem om elkaar dan en dan te ontmoeten, en zij liet hem wachten. Dat vond hij verrassend. Iemand anders dacht: "U vindt het prettig bedrogen te worden. Heeft U niet een speciale voorkeur voor grappen die aan achteloosheid grenzen?"
"U vergist zich" was alles wat hij antwoordde.
Hij nam geen mens iets kwalijk, want "ik heb toch ook vaak met mensen nare spelletjes gespeeld".
In damescafé's amuseerde hij zich met gelaatstrekken en uitlatingen van de vrouwelijke gasten. Overigens was hij geen liefhebber van teveel verstrooiing, hoezeer hij die ook bij uitzondering waardeerde. Hij dacht aan alles om het in een oogwenk te vergeten, hij was een goede rekenaar omdat hij niet toeliet dat zijn gevoel macht over hem uit zou oefenen.
Vrouwen hadden weinig achting voor hem, maar niet zonder zich steeds weer voor hem te interesseren. Ze noemden hem schuchter, maar hij hen evenzeer. Ze speelden met hem en waren bang voor hem.
Jegens een vrouw die op een misschien al te voortvarende wijze haar rijkdom onder zijn aandacht bracht, was hij zo hoffelijk als je bent wanneer je niets voelt. Hij kwam onontwikkelde meisjes tegen, bezeten van verlangen naar onderricht maar ook meisjes die van alles lazen en nu bijna onwetend wensten te zijn. Over geleden onrecht wreekte hij zich nooit en hij wreekte zich daardoor misschien voldoende. Degenen die hem niet behandelden zoals hij 't zich gewenst had, liet hij zogezegd vallen, dat wil zeggen, hij raakte eraan gewend aan veel onaangenaams niet te denken. Daarmee behoedde hij zijn zielenleven voor verwildering, zijn gedachten voor ongezonde hardvochtigheid.
Muziek stemde hem week, dat vergaat de meesten zo. Merkte hij dat hij bij een meisje favoriet was, dan had hij het gevoel dat zij hem aan zich wilde binden, en hij ging haar uit de weg. Hij was zo wantrouwig als een Zuideuropeaan, zowel jegens zichzelf als anderen; hij was dikwijls jaloers, maar nooit lang, omdat zijn zelfrespect hem snel bevrijdde van achtervolgingen van afgunst die hem, nauwelijks opgewekt, al weer ongegrond, nietig toescheen.
Als hij een vriend verloor, zei hij bij zichzelf: "Hij verliest evenveel als ik." Hij maakte iemand het hof tot zij een fout beging, en het hem niet langer mogelijk was nog naar haar te verlangen. Een overhaasting van haar kant had tot gevolg dat hij om haar lachte en daarover verheugde hij zich. Hoewel hij medelijden had met zijn deelgenote, hoefde hij dat met zichzelf niet meer te hebben.
Hij bleef jong en benutte deze kracht voor het winnen en opbrengen van respect voor hen die het 't hardst nodig hebben dat men niet gevoelloos langs hen heen kijkt, de zwakkeren en bejaarden. Praten wij te goed over hem?
Af en toe presenteert hij zichzelf als een levensgenieter, en bezoekt hij zogenaamde ordinaire kroegen. Er zijn mensen die hem daarom afkeuren maar die eigenlijk zelf graag wel eens plezier zouden willen beleven, wat hun eigen milieus hen niet altijd verschaffen. Hij is nagebootst, maar deze zonderling blijft wat hij is. Nabootsen is overigens heel natuurlijk.
Ook kopieën kunnen in de smaak vallen, maar alleen aan het eigene ontspringt iets wat van grote waarde is.

vertaling machteld bokhove