Walser über Walser

Hier können Sie den Schriftsteller Walser sprechen hören.
An Herrn Walser, den Schriftsteller!
So lauten Adressen von an mich gerichteten Briefen, als wollten mich gewisse, um mich besorgte Leute an mein Schriftstellertum mahnen.
Schläft sie etwa in mir, die Schriftstellerei?
Wollen mich Wohlwollende etwa wecken?
Als ich zum Beispiel einst den "Gehülfen" erlebte, schlief der Schriftsteller Walser zunächst auch. Sonst wäre ich ja ein unnatürlicher Gehilfe gewesen.
Um "Geschwister Tanner" zu schreiben, bedurfte es langen Gewartethabens, was natürlich unbewusst stattfand. Ich würde einen Schriftsteller eher an den Menschen als an den Schriftsteller erinnern. Die Schriftstellerei stammt ja aus dem Menschlichen.
Mir sind Menschen bekannt, die der Meinung sind, es werde zu viel geschriftstellert. Wie zum Beispiel auch zu viel gemalt.
Ich bin auch dieser Meinung, und daher beunruhigt mich der scheinbar zurzeit schlafende Schriftsteller Walser keineswegs. Mich freut vielmehr sein Verhalten.
Als ich in Wirklichkeit "Gehülfe" war, hatte ich da eine Ahnung, dass aus diesem Stück Erleben ein "Wirklichkeitsroman", also aus dem wirklichen Wirken ein schriftstellerisches entstehen würde? Nein, keine Spur!
Walser lebte damals auch schon, schlief auch schon, schrieb auch schon denkbar wenig. Aber weil er sich dem Erleben uninteressiert hingab, d.h. unbekümmert um Schriftstellerei, will also sagen, noch nichts schrieb, so schrieb er seinen "Gehülfen" Jahre später, d.h. nachher. Er kam deshalb nicht vor unbefriedigter Buchherausgabelust um.
Alles was Schriftsteller Walser "später" schrieb, musste von demselben "vorher" endlich erlebt werden.
Kann ein Mensch, der nicht schriftstellert, morgens überhaupt seinen Kaffee trinken?
Ein solcher wagt kaum zu atmen!
Und dabei spaziert Walser täglich jeweilen noch ein Stündchen, statt sich sattzuschreiben. In seiner Natürlichkeit findet er Vorwände, Serviertöchtern beim Tischdecken behilfich zu sein. Warum erlebte Walser einst allerlei?
Weil der Schriftsteller fröhlich in ihm schlief, ihn also am Erleben nicht hinderte. Er meint daher, man täte gut, ihn in einer breitangelegten Ahnungslosigkeit zu lassen, und er bittet Besorgte um etwa zehn Jahre Geduld, indem er seinen Kollegen allen erdenklichen Erfolg wünscht. Warum lässt Walsers Ruhm jeden andern weniger kühl als ihn selbst?
Als ich zum Beispiel "Die Geschwister" schrieb, wie unberührt von Berühmtheit war ich da! Wäre ich schon berühmt gewesen, so wäre das Buch nicht zur Welt gekommen.
Ich wünsche also unbeachtet zu sein. Sollte man mich trotzdem beachten wollen, so werde ich meinerseits die Achthabenden nicht beachten. Die Niederschrift meiner bisherigen Bücher war keine erzwungene. Ich meine, dass Vielschreiben noch nicht ein reiches Schrifttum ausmacht. Möge man mir nicht mit den "früheren Büchern" kommen! Man überschätze sie nicht, und den lebenden Walser wolle man versuchen, zu nehmen, wie er sich gibt.

(Juli 1925 in "Neue Zürcher Zeitung" und "Prager Presse")

Walser over Walser

Hier kunt u de schrijver Walser horen spreken.
Aan mijnheer Walser, de schrijver!
Zo luiden adressen van aan mij gerichte brieven, alsof bepaalde om mij bezorgde mensen mij aan mijn schrijverschap willen houden.
Slaapt het soms in mij, het schrijven?
Willen welwillenden mij soms wekken?
Toen ik bij voorbeeld ooit de "Gehülfe" beleefde, sliep de schrijver Walser in het begin ook. Anders was ik immers een gekunstelde assistent geweest.
Voor het schrijven van "Geschwister Tanner" was lang gewacht nodig, wat natuurlijk onbewust plaatsvond. Ik zou een schrijver eerder aan de mens dan aan de schrijver herinneren. Het schrijven komt immers uit het menselijke voort.
Ik ken mensen die van mening zijn dat er te veel geschreven wordt. Zoals er bijvoorbeeld ook teveel geschilderd wordt.
Ik ben die mening ook toegedaan, en daarom verontrust mij de momenteel schijnbaar slapende schrijver Walser geenszins. Mij doet zijn gedrag eerder plezier.
Toen ik in werkelijkheid "Gehülfe" was, had ik toen een vermoeden dat er uit dit deel beleving een "werkelijkheidsroman", dus uit het werkelijke werken een werken als schrijver zou ontstaan? Nee, geen spoor daarvan!
Walser leefde toen ook al, sliep toen ook al, schreef toen ook al uiterst weinig. Maar omdat hij zich ongeïnteresseerd aan de beleving overgaf, d.w.z. onbekommerd om schrijven, wat dus wil zeggen: nog niets schreef, schreef hij zijn "Gehülfe" pas jaren later, d.w.z. erna. Hij kwam derhalve niet om van onbevredigde lust in boekpublicaties.
Alles wat schrijver Walser "later" schreef, moest uiteindelijk "voordien" door hem worden beleefd.
Kan iemand die geen schrijver is 's ochtends eigenlijk wel zijn koffie drinken?
Zo iemand durft nauwelijks adem te halen!
En bovendien wandelt Walser dagelijks soms nog een uurtje in plaats van zich moe te schrijven. In zijn ongekunsteldheid vindt hij voorwendsels om serveersters bij het tafeldekken behulpzaam te zijn. Waarom beleefde Walser ooit van alles?
Omdat de schrijver vrolijk in hem sliep, hem dus niet hinderde bij dat beleven. Hij vindt daarom dat men er goed aan zou doen hem over te laten aan een vergaande nietsvermoedendheid, en hij vraagt bezorgde mensen om een jaar of tien geduld, terwijl hij zijn collega's ieder mogelijk succes toewenst. Waarom laat Walsers roem ieder ander minder koud dan hemzelf?
Toen ik bij voorbeeld "Die Geschwister" schreef, wat was ik toen ongevoelig voor beroemdheid! Als ik al beroemd was geweest, dan was het boek niet ter wereld gekomen.
Ik wens dus geen aandacht te krijgen. Zouden ze mij desondanks aandacht willen schenken, dan zal ik van mijn kant geen aandacht schenken aan de aandachthebbenden. Het opschrijven van mijn tot nu toe verschenen boeken gebeurde niet onder dwang. Ik bedoel dat veelschrijven nog niet een grote schrijverskwaliteit oplevert. Laat ze niet met de "vroegere boeken" bij me aankomen! Ze moeten die niet overschatten en hopelijk willen ze proberen de levende Walser te nemen zoals hij zich voordoet.

vertaling machteld bokhove
december 2017