Unter einer Linde

Die Stadt war schön und leer. Wie kurz das gesagt ist! Kann man dies schriftstellern nennen?
Die feinern Elemente befanden sich teils an Wasserrändern, teils auf Bergspitzen. Die Eisenbahnen gediehen, und indes sie's taten, durchwanderte man die Verlassene, womit ich eine Provinzstadt meine.
Ein alter Harfenist durchschritt mit seiner vielleicht schon mehrmals geflickt wordenen Leier an der Hand seiner rührendschönen, sorgenvollen Tochter die blassen, blühenden Strassen.
Auf dem Land, ich meine, am Halse der Natur, die göttlich ist, jauchzten jetzt die Sommerfrischler. Irgendwo suchte jemand auf einem Vergnügungsdampfer oder an einem Waldrand eine Wurst, die hübsch eingepackt unter mancherlei sonstigen Gegenständlichkeiten lag, hervor.
Mitten in Seen sassen Gondeln still, und die Darinsitzenden hielten den Atem an, als erwarteten sie ein Wunder.
In der beinahe zur Zeit entvölkerten Kaffeehalle schrieb ein Skizzierer eine Skizze, worin er der demütigen Idee Ausdruck zu verleihen sich veranlasst sah, das Leben selbst skizziere eventuell noch nuancierter als er.
Dem emsig arbeitenden Schriftsteller gegenüber sass auf einem Plüschsofa ein Weltstadtmädel, die es entzückend fand, einen Vertreter von Unmittelbarkeiten sagen zu hören: "Mir scheint, ich sei bald noch zu faul zum Saufen." Die Nacht, worin derart ungezwungen gesprochen wurde, war unvergleichlich schön; sie sah aus, als weile Klopstock noch unter den Lebenden. Indem erwähnter Skizzenmeister ausübte, was ihn im Moment beschäftigte, wünschte er eine Ode herstellen zu können.
Wie spielte der Harfner gestaltenhaft, und wie glich die Provinzstadt einer einstmals hinreissend gewesenen Schauspielerin, die nur schon zu berühmt wurde.
Die vorübergehende Abwesenheit vieler Einwohner wurde als womöglich etwas zu angenehm empfunden. Was für eine Freude war's, nicht viele Freudige antreffen zu müssen! Durch die Stille erhielt die Stadt etwas Weites.
Eine Provinzstadt kann an Grossstädtigkeiten reicher sein als eine Grossstadt. Welch ein Essaysatz das ist!
Irgendwo sah ich eine Wand mit einem Hirschgeweih geschmückt. Ich schreibe dieses Merkwürdige unter einer Linde.

(unveröffentlicht; 1928/29)

Onder een linde

De stad was mooi en leeg. Wat is dat kort gezegd! Kun je dit schrijven noemen?
De gevoeliger elementen bevonden zich deels aan waterranden, deels op bergtoppen. De spoorwegen ontwikkelden zich, en terwijl ze 't deden zwierf je door die verlatene waarmee ik een provinciestad bedoel.
Een oude harpmuzikant liep met zijn misschien al meermalen opgelapte lier aan de hand van zijn ontroerend mooie, bezorgde dochter door de bleke, bloeiende straten.
Op het platteland, ik bedoel aan de boezem van de natuur die goddelijk is, juichten nu de zomergasten. Ergens op een plezierboot of aan een bosrand diepte iemand een worst op, die mooi ingepakt tussen allerlei andere voorwerpachtige dingen zat.
Midden op meren lagen gondels stil, en de inzittenden hielden hun adem in alsof ze een wonder verwachtten.
In de op dit tijdstip bijna ontvolkte koffiehal schreef een schetser een schets waarbij hij zich genoopt zag uitdrukking te geven aan het deemoedige idee dat het leven zelf mogelijk nog genuanceerder schetste dan hij.
Tegenover de ijverig werkende schrijver zat op een pluche sofa een wereldwijs meisje dat het verrukkelijk vond om een voorstander van directheid te horen zeggen: "Ik denk dat ik binnenkort nog te lui ben om te zuipen." De nacht waarin dusdanig ongedwongen werd gesproken was weergaloos mooi; zij zag er uit alsof Klopstock nog onder de levenden verkeerde. Terwijl genoemde schetsmeester uitoefende wat hem op dat moment bezighield wenste hij een ode op te kunnen stellen.
Wat speelde de harpist schimachtig, en wat leek de provinciestad op een ooit verrukkelijk geweeste actrice die toch wel al te beroemd was geworden.
De tijdelijke afwezigheid van veel inwoners werd wellicht als een beetje te aangenaam ervaren. Wat een genot was 't om niet veel genieters aan te hoeven treffen! Door de stilte kreeg de stad iets weids.
Een provinciestadje kan rijker aan grootstedelijkheid zijn dan een grote stad. Wat voor een essayzin is dat!
Ergens zag ik een muur versierd met een hertengewei. Ik schrijf dit merkwaardigs onder een linde.

vertaling machteld bokhove
december 2017