Musik

Musik ist mir das Süsseste auf der Welt. Ich liebe Töne unaussprechlich. Ich kann, um einen Ton zu hören, tausend Schritte springen. Oft, wenn ich im Sommer durch die heissen Strassen gehe und aus einem unbekannten Hause ein Klavier tönt, stehe ich still und meine, an dieser Stelle sterben zu sollen. Ich möchte im Anhören eines Musikstückes sterben. Ich stelle mir das so leicht vor, so natürlich, und doch ist es natürlich wieder unmöglich. Töne sind zu zarte Dolchstiche. Die Wunden von solchen Stichen brennen wohl, aber es ist kein Eiter in ihnen. Wehmut und Schmerz träufeln statt des Blutes hervor. Wie die Töne aufhören, ist alles wieder ruhig in mir. Ich gehe dann an meine Schulaufgaben, zum Essen, zum Spiel und vergesse es. Klavier gibt mir den zauberischesten Ton. Mag auch eine Stümperhand spielen. Ich höre nicht das Spiel, nur den Ton. Ich kann nie ein Musiker werden. Denn ich würde es nie süss und trunken genug finden, Musik zu machen. Musik anhören ist viel heiliger. Musik stimmt mich immer traurig, aber so wie ein trauriges Lächeln ist. Ich möchte sagen: freundlichtraurig. Die lustigste Musik vermag ich nicht lustig zu finden und die schwermütigste Musik ist für mich keineswegs besonders schwermütig und entmutigend. Vor der Musik habe ich nur immer die eine Empfindung: mir fehlt etwas. Nie werde ich den Grund dieser sanften Traurigkeit erfahren, nie darnach forschen wollen. Ich wünsche es nicht zu wissen. Ich wünsche nicht alles zu wissen. Ich besitze überhaupt, so sehr ich mir intelligent vorkomme, wenig Wissensdrang. Ich glaube deshalb, weil ich von Natur das Gegenteil von neugierig bin. Ich lasse gern vieles um mich geschehen, ohne mich zu bekümmern, wie es geschieht. Das ist gewiss tadelnswert und wenig geeignet, mir im Leben zu einer Laufbahn zu helfen. Mag sein. Ich fürchte mich nicht vor dem Tode, also auch nicht vor dem Leben. Ich merke, ich gerate ins Philosophieren. Musik ist die gedankenloseste und deshalb süsseste Kunst. Rein verständige Menschen werden sie nie schätzen, aber sie wird gerade ihnen in Augenblikken, wo sie sie hören, am innigsten wohl tun. Man darf eine Kunst nicht begreifen und nicht schätzen wollen. Kunst will sich uns anschmiegen. Sie ist ein so überaus reines und selbstzufriedenes Wesen, dass es sie kränkt, wenn man sich um sie bemüht. Sie straft den, der ihr, indem er sie fassen will, entgegenkommt. Künstler erfahren das. Sie sind es, die ihren Beruf darin sehen, sich mit ihr zu befassen, die durchaus nicht angefasst werden will. Deshalb möchte ich nie Musiker werden. Ich fürchte mich vor der Strafe eines so holden Wesens. Man darf eine Kunst lieben, aber man muss sich hüten, es sich zu gestehen. Man liebt am innigsten, wenn man nicht weiss, dass man liebt. - Mich schmerzt die Musik. Ich weiss nicht, ob ich sie wirklich liebe. Sie trifft mich, wo sie mich eben antrifft. Ich suche sie nicht. Ich lasse mich von ihr schmeicheln. Aber dieses Schmeicheln verwundet. Wie soll ich es sagen? Musik ist ein Weinen in Melodien, ein Erinnern in Tönen, ein Gemälde in Klängen. Ich kann es schlecht sagen. Die Worte über die Kunst da oben muss man nur nicht ernst nehmen. Sie treffen so gewiss nicht zu, als mich heute noch kein Ton getroffen hat. Mir fehlt etwas, wenn ich keine Musik höre, und wenn ich Musik höre, fehlt mir erst recht etwas. Dies ist das Beste, was ich über Musik zu sagen weiss.

(April 1902 in „Sontagsblatt des Bund“ (Bern))

Muziek

Muziek is voor mij het heerlijkste op de wereld. Ik houd onnoemelijk veel van klanken. Ik kan om een klank te horen duizend stappen hollen. Vaak als ik in de zomer door de warme straten loop en er vanuit een onbekend huis een piano klinkt, sta ik stil en heb ik het idee op deze plek te kunnen sterven. Ik zou graag sterven bij het beluisteren van een muziekstuk. Ik stel me dat zo makkelijk voor, zo natuurlijk, en toch is het natuurlijk ook weer onmogelijk. Klanken zijn te tedere dolksteken. De wonden van zulke steken branden wel, maar er zit geen etter in. In plaats van bloed druppelt er weemoed en smart uit tevoorschijn. Zodra de klanken ophouden is alles weer rustig in mij. Ik begin dan aan mijn huiswerk, ga eten, ga spelen en ik vergeet het. De piano heeft voor mij de meest betoverende klank. Ook al speelt de hand van een klungel. Ik hoor niet het spel, alleen maar de klank. Ik kan nooit een musicus worden. Want ik zou het nooit heerlijk en uitzinnig genoeg vinden om muziek te maken. Muziek beluisteren is veel heiliger. Muziek stemt me altijd treurig maar zoals een treurige glimlach. Ik zou graag zeggen: vriendelijk-treurig. De vrolijkste muziek kan ik niet vrolijk vinden en de zwaarmoedigste muziek is voor mij volstrekt niet bijzonder zwaarmoedig en ontmoedigend. Voor muziek heb ik altijd alleen maar één gevoel: ik mis iets. Nooit zal ik de reden voor deze zachte treurigheid achterhalen, nooit zal ik ernaar op zoek willen gaan. Ik wens het niet te weten. Ik wens niet alles te weten. Ik bezit hoe dan ook, hoewel ik mezelf intelligent vind, weinig drang naar kennis. Ik denk omdat ik van nature het tegendeel van nieuwsgierig ben. Ik laat graag veel om me heen gebeuren zonder me erom te bekommeren hoe het gebeurt. Dat is vast afkeurenswaardig en weinig doeltreffend om mij in het leven aan een loopbaan te helpen. Kan zijn. Ik ben niet bang voor de dood, dus ook niet voor het leven. Ik merk dat ik aan ’t filosoferen sla. Muziek is de gedachtelooste en daarom de heerlijkste kunst. Puur verstandige mensen zullen haar nooit hoog inschatten , maar zij zal op momenten waarop ze haar horen juist hen het meest intens goeddoen. Je mag een kunst niet willen begrijpen en hoog inschatten. Kunst wil zich tegen ons aanvlijen. Ze is zo’n uiterst puur en zelfgenoegzaam wezen dat het haar kwetst als je jacht op haar maakt. Ze straft degene die haar, door haar te willen pakken, tegemoetkomt. Kunstenaars ondervinden dat. Zij zijn degenen die het als hun beroep beschouwen zich met haar te bemoeien terwijl zij volstrekt ongemoeid wil blijven. Daarom zou ik nooit musicus willen worden. Ik ben bang voor de straf van zo’n lieftallig wezen. Je mag van een kunst houden maar je moet ervoor uitkijken om jezelf dat te bekennen. Je houdt ergens het meest intens van als je niet weet dat je ervan houdt. - Mij doet muziek pijn. Ik weet niet of ik er echt van houd. Ze treft me waar ze me ook maar aantreft. Ik zoek haar niet op. Ik laat me door haar vlijen. Maar dat gevlij verwondt. Hoe zal ik het zeggen? Muziek is een geween in melodieën, een gememoreer in tonen, een schilderij in klanken. Ik kan het niet goed zeggen. Die woorden over kunst hierboven moeten niet serieus genomen worden. Ze raken net zo zeker niet de waarheid als mij vandaag nog geen klank heeft geraakt. Ik mis iets als ik geen muziek hoor, en als ik muziek hoor dan mis ik pas echt iets. Dit is het beste wat ik over muziek weet te zeggen.

vertaling machteld bokhove

(Dit is een stukje uit “Fritz Kochers Aufsätze”(1902), een bundel korte prozastukjes waarin Robert Walser in de inleiding vertelt dat de “opstellen”geschreven zouden zijn door een jonggestorven scholier en dat ze door diens trotse moeder aan Robert Walser ter publicatie zijn overhandigd nadat Walser haar heeft beloofd dat hij er niets in zal veranderen.)