(ohne Titel)

Einen Weltstadtaufenthalt nicht höher einzuschätzen, als ihn zugunsten eines Nestes voll Impertinenz preiszugeben. Freunde flüster[t]en ihm in's Hauptstadtohr: "Du bist nicht klug, wenn du dich nicht unverzüglich auf die Reise in's Kleinstadtnest begibst. Sämtliche Bewohner des mit Spaziergangsmöglichkeiten reichausgestatteten Akkerstädtchens warten auf deine sofortige Ankunft, auf die [sie] sich aufrichtig freuen. "Sagt ihr mir, der Zeitpunkt sei für mich günstig, die Grossstadt mit der Kleinstadt zu vertauschen?“ fragte der Problematische. Im Chor erwiderten sie: ,,Ja“, wonach er sich mit einer Schnelligkeit reisefertig machte, die sich mit dem Sehnen nach dem Nest in bester Übereinstimmung befand. Mit unvergleichlicher Rechtschaffenheit nahm er sich vor, ein braver Schuster oder Bauer zu werden. Er kam sich in seiner Problemhaftigkeit plötzlich in jeder Hinsicht reparaturbedürftig vor, und indem er im Eisenbahnwagen sass, dachte er [an] das Schöne, das im Soliden liegt, und an die Solidität im Schönen. Seine Freunde hatten tölpelhafterweise im reizend gelegenen Nest telegraphisch angefragt, ob der Zeitpunkt für ihren Schützling günstig sei, und die Repräsentanten der Ehrbarkeit antworteten überraschend flink: "Ei, natürlich." Zu sich selber aber sprachen sie: "Dem werden wir einheizen.“ Sollte er sich wirklich, was den Kleinstadtcharakter betrifft, verrechnet haben? Wiesen, Felder, Bäume, Häuser und Stadttore, Gassen und Gassenjungen lächelten, als ihn alle diese sauber aufgezählten Gegenständlichkeiten treuherzig und vertrauensvoll ankommen sahen. Sogleich überkam sie das nicht sehr angenehme Gefühl: „Er ist unverschämt, und weshalb ist er das? Er hat Vertrauen in unsere Rechtschaffenheit. Aus welchem Grund ist sein Vertrauen zu uns Ackerbewohnern unbegrenzt? Weil er uns nicht sehr ernst nimmt. Er meint, wir seien alle miteinander ziemlich einfältig. Wollen wir diesem Glänzenden, Weitgereisten, Spirituellen beweisen, dass er sich in uns täuscht? Ja, das wollen wir." Nachdem sie sich dermassen vereinbart hatten, fragten sie ihn: "Hältst du den Zeitpunkt für günstig, dich uns anzuschliessen? „Ja“, antworte[te] er. Auf diesen unbefangenen und unüberlegten Bescheid hin fingen sie zu lachen an und sagten: "In diesem Fall scheinst du uns ja stets sehr wichtig genommen zu haben. Es erweist sich, dass du dir unsretwegen allerlei Fragen vorlegtest. Um dich von unserer Launenhaftigkeit, demnach davon zu überzeugen, dass wir nicht ganz ohne Intelligenz sind, erklären wir dir, dass du uns den Eindruck machst, als verdientest du nicht, dass der Zeitpunkt, dich bei uns beliebt zu machen, günstig sei. Du stelltest dich, weil du äusserst vorsichtig unsere Gunst abwartetest, zu der denkbar ungünstigsten Zeit bei uns ein, indem wir dich wissen lassen, dass wir dich um deines rechtschaffenen Sehnens willen, unser geachteter Mitbürger zu werden, geringschätzen. Wir hielten dich für stark, während du nun wie ein Schwächling vor unseren Augen stehst, die dich verspotten.“ Dem war in der Tat so. Mögen manche Entwurzelte aus vorliegendem Essay eine Lehre ziehen und sich sagen, dass das Wurzelfassen nicht leicht ist. Im übrigen sucht einer, der ein bisschen Rücksicht auf die Reinlichkeit der Dinge [nimmt], eher die Ungunst als die Gunst auf.

Aus dem Bleistiftgebiet, Band 5, pag. 298

vermoedelijk winter 1927 / 28

(zonder titel)

In een wereldstad wonen moet je niet hoger aanslaan dan het prijsgeven daarvan ten gunste van een gat vol impertinentie. Vrienden fluisterden in zijn hoofdstedelijk oor: “Je bent niet goed wijs als je niet ogenblikkelijk afreist naar een provinciaals gat. Alle bewoners van dat akkerstadje, rijk bedeeld met wandelmogelijkheden, wachten op jouw onmiddellijke komst waar ze zich oprecht op verheugen.” “Willen jullie me zeggen dat het tijdstip voor mij gunstig is om de grote stad voor een kleine te verruilen?” vroeg dat probleemgeval. Zij antwoordden in koor: “Ja”, waarna hij zich reisklaar maakte met een snelheid die geheel in overeenstemming was met zijn verlangen naar dat gat. Met ongeëvenaarde rechtschapenheid nam hij zich voor een brave schoenlapper of boer te worden. Hij voelde zich in zijn hoedanigheid van probleem plotseling in ieder opzicht krakkemikkig, en terwijl hij in de trein zat dacht hij aan het mooie dat gelegen is in het solide, en aan de soliditeit in het mooie. Zijn vrienden hadden stom genoeg in dat prachtig gelegen gat telegrafisch nagevraagd of het tijdstip voor hun beschermeling gunstig was, en de representanten van de eerbaarheid antwoordden verrassend vlug: “Goh, natuurlijk.” Maar tegen zichzelf zeiden ze: “Die zullen we eens stevig aanpakken.” Zou hij zich wat betreft het karakter van een provinciestad werkelijk misrekend hebben? Weiden, velden, bomen, huizen en stadstorens, straten en straatjongens glimlachten toen al die netjes opgetelde concrete dingen hem trouwhartig en vol vertrouwen zagen aankomen. Meteen overviel ze het niet erg aangename gevoel: “Hij is onbeschaamd, en waarom is hij dat? Hij heeft vertrouwen in onze rechtschapenheid. Om welke reden is zijn vertrouwen in ons akkerbewoners grenzeloos? Omdat hij ons niet erg serieus neemt. Hij denkt dat wij met ons allen nogal simpel zijn. Gaan we deze briljante, bereisde, spirituele man bewijzen dat hij zich in ons vergist? Ja, dat gaan we doen.” Nadat ze aldus overeengekomen waren vroegen ze hem: “Houd je het tijdstip voor gunstig om je bij ons aan te sluiten?” “Ja”, antwoordde hij. Naar aanleiding van deze onbevangen en ondoordachte reactie begonnen ze te lachen en ze zeiden: “In dat geval lijk je ons dus steeds erg belangrijk te hebben gevonden. Het bewijst dat je jezelf allerlei vragen hebt gesteld over ons. Om jou van onze grilligheid te overtuigen, opdat je beseft dat wij niet geheel van intelligentie gespeend zijn, delen we jou mee dat je bij ons de indruk wekt alsof je het niet verdient dat het tijdstip waarop je je bij ons geliefd wilt maken gunstig zou zijn. Je komt omdat je uiterst voorzichtig onze gunst hebt afgewacht op het ongunstigst denkbare moment bij ons aanzetten, nu we jou laten weten dat we je minachten vanwege jouw rechtschapen verlangen onze geachte medeburger te worden. We zagen jou voor sterk aan, terwijl je nu als een zwakkeling voor onze ogen staat die jou bespotten.” Dat was inderdaad zo. Moge menig ontwortelde uit het voorgaande essay lering trekken en bij zichzelf zeggen dat wortel schieten niet makkelijk is. Overigens zoekt iemand die een beetje rekening houdt met de keurigheid der dingen eerder ongunst op dan gunst.

vertaling machteld bokhove