Lebensläufe (I)

Walser kam am 15.April 1878 in Biel im Kanton Bern als zweitletztes von acht Kindern zur Welt, besuchte bis zum vierzehnten Altersjahre die Schule und erlernte hierauf das Bankfach, reiste siebzehnjährig fort, lebte in Basel, wo er bei Von Speyer & Co. tätig war, und in Stuttgart, wo er Stellung bei der "Union", Deutsche Verlagsanstalt, fand. Nach Ablauf eines Jahres wanderte er über Tübingen, Hechingen, Schaffhausen usw. nach Zürich, arbeitete bald im Versicherungs-, bald im Bankwesen, wohnte sowohl in Aussersihl wie auf dem Zürichberg und schrieb Gedichte, wobei zu sagen ist, dass er dies nicht nebenbei tat, sondern sich zu diesem Zwecke jedesmal zuerst stellenlos machte, was offenbar im Glauben geschah, die Kunst sei etwas Grosses. Dichten war ihm in der Tat beinah heilig. Manchem mag das übertrieben vorkommen. Waren die Esparnisse aufgezehrt, so bewarb er sich jeweilen wieder um ein passendes Engagement und kam auf diese Weise in die Städte Thun und Solothurn, wo es ihm ungemein behagte. Wem könnte es an so schönen, von Bergen umrahmten Plätzen anders als bestens gefallen? Denn haben wir da nicht einerseits ein mittelalterliches Schloss, anderseits die stilvollste Barock-Kathedrale? Nicht lange, so treffen wir ihn wieder in Zürich. Es scheint, er habe daselbst zeitweise an der Trittligasse in einer allerliebsten, gartenhäuschenhaften Wohnung, bestehend aus zwei Stuben, gelebt, und es seien ihm hier Prosastücke entstanden, die er später unter dem Titel "Fritz Kochers Aufsätze" mutig herausgab. Um sein Leben zu fristen, schrieb er teils in der Schreibstube für Stellenlose oder diente als eine Art Mädchen für alles in einer Villa am Zürichsee. Solcherlei Beschäftigung hat ihm sicher nicht geschadet; lernte er doch dadurch Welt und Menschen einigermassen kennen, wie zum Beispiel auch sich selber, was für ihn nicht unwichtig sein konnte. Mit wenigen Mitteln reiste er jetzt ins Deutsche, und einige meinen, er wäre gräflicher Bedienter gewesen. Indessen steht bloss fest, dass er Sekretär der Berliner Sezession war, zwar nicht lange, weil sich's herausstellte, er eigne sich besser zum Schreiben und Erleben von Romanen. Er schrieb deren drei, nämlich "Geschwister Tanner", "Der Gehülfe", "Jakob von Gunten", verfasste zahlreiche kleinere oder grössere Studien, Skizzen, Geschichten, lebte dermassen zirka sieben Jahre in Berlin, reiste hierauf heim und liess sich in Biel nieder, um hier gleichsam sein begonnenes Werk, so gut es ging, auszubauen und so ergiebig wie möglich abzurunden.

("Lebenslauf I" erschien im November 1920 unter dem Titel "Robert Walsers Lebenslauf, von ihm selber erzählt" zusammen mit Gedichten und einem Prosastück in einem Heft des "Lesezirkel", Zürich, der von der literarischen Vereinigung "Lesezirkel Hottingen" herausgegeben wurde - von dieser war Walser auf den 8. 11. 1920 zu einer Lesung eingeladen worden.)

Levenslopen

Walser kwam op 15 april 1878 in Biel in het kanton Bern als voorlaatste van acht kinderen ter wereld, bezocht tot zijn veertiende levensjaar de school en leerde hierop het bankvak, ging als zeventienjarige weg, leefde in Bazel, waar hij bij Von Speyer & Co. werkzaam was, en in Stuttgart waar hij een betrekking bij de "Union", Deutsche Verlagsanstalt, vond. Na verloop van een jaar trok hij via Tübingen, Hechingen, Schaffhausen enz. naar Zürich, werkte nu eens in het verzekerings-, dan weer in het bankwezen, woonde zowel in Aussersihl als op de Zürichberg en schreef gedichten, waarbij gezegd moet worden dat hij dit er niet naast deed, maar zich te dien einde telkens eerst werkloos maakte, wat blijkbaar gebeurde in het geloof dat de kunst iets groots is. Dichten was inderdaad bijna iets heiligs voor hem. Menigeen zal dat overdreven vinden. Als het spaargeld op was, dan zocht hij op een gegeven moment een passende betrekking en kwam op die manier in de steden Thun en Solothurn, waar het hem buitengewoon beviel. Wie zou het op zulke, door bergen omgeven plaatsen niet heel goed bevallen. Want hebben we daar niet enerzijds een middeleeuws slot, anderzijds de stijlvolste barok-kathedraal? Niet lang daarna zien wij hem terug in Zürich. Naar het schijnt heeft hij daar een tijdje aan de Trittligasse in een alleraardigste, tuinhuisjesachtige woning, bestaande uit twee kamers, gewoond, en daar heeft hij zijn prozastukken tot stand gebracht die hij later onder de titel "Fritz Kochers Aufsätze" moedig publiceerde. Om zich in leven te houden schreef hij voor een deel in de schrijfkamer voor werklozen of diende als een soort manus van alles in een villa aan het meer van Zürich. Dat soort werk heeft hem zeker geen slecht gedaan, want daardoor leerde hij enigszins de wereld en de mensen kennen, zoals bij voorbeeld ook zichzelf, wat voor hem niet onbelangrijk kon zijn. Met bescheiden middelen reisde hij nu naar het Duitse land, en er zijn mensen die denken dat hij bediende van een graaf is geweest. Ondertussen staat alleen maar vast dat hij secretaris van de Berlijnse Sezession is geweest, zij het niet lang omdat bleek dat hij beter geschikt was voor het schrijven en beleven van romans. Hij schreef er drie, te weten "Geschwister Tanner", "Der Gehülfe" en "Jakob von Gunten", maakte talrijke kleinere of grotere studies, schetsen, verhalen, leefde zo circa zeven jaar in Berlijn, ging daarna naar huis en vestigde zich in Biel, om hier in zekere zin het werk dat hij begonnen was zo goed als het ging te ontplooien en zo vruchtbaar mogelijk af te ronden.


(verschenen in november 1920 onder de titel "Robert Walsers levensloop, door hemzelf verteld" samen met gedichten en een prozastuk in een aflevering van "Leeskring", Zürich; voor de Leeskring Hottingen werd hij op 8 februari 1920 uitgenodigd om te komen voorlezen.)

vertaling en copyright Jacq F. Vogelaar