Lebendiges Bild

Ein grossstädtischer Hof, vom Mond beleuchtet. Mitten im Hof eine eiserne Kiste. Eine Partie Gesang von innen her in den Zuschauerraum tönend. Ein Löwe an einer Kette angebunden. Ein Schwert neben den Kiste. Eine dunkle, unerkennbare Gestalt etwas weiter davon entfernt. Der Gesang, das heisst, eine junge, schöne Frau, beugt sich oben zu einem lampenerhellten Fenster hinaus, immer weiter singend. Es scheint entweder eine gefangen gehaltene Prinzessin königlichen Ursprungs oder eine Opernsängerin zu sein. Zuerst ist der Gesang wie eine schlichte, ziemlich schülerhafte Gesangsübung gewesen, aber nach und nach erweitert und verbreitert er sich zu was Grossem, zu was Menschlichem, er ist hinreissend, er klagt, dann wieder scheint er sich im eigenen Schmerz zu gefallen. Dieser Gesang reisst das Fenster auseinander und gibt der Luft eine schöngebaute Treppe zum Hinuntersteigen. Die Frau kommt hinunter, aber immer noch singend. Aus der eisernen oder stählernen Kiste taucht jetzt ein Mannskopf hervor, furchtbar blass und von schwarzen, wilden Haaren umrahmt. Die Augen des Mannes reden die stumme Sprache der Verzweiflung, der breite, man darf wohl sagen: volkstümliche Mund lächelt, aber was ist das für ein schreckliches Lächeln? Der Zorn und der Gram scheinen es in jahrelanger Übung still zusammengebaut zu haben. Die Wangen sind eingefallen, aber das ganze Gesicht drückt unaussprechliche Güte aus, nicht solche, der es leicht geht, sondern solche, die das Schwerste erfahren hat. Die Sängerin setzt sich unter einer unnachahmlichen Bewegung auf den Rand der Kiste, die Hand legt sie wie liebkosend auf den Kopf des Eingeschlossenen. Der Löwe rasselt mit der Kette. Ist hier alles, alles gefangen? Lass sehen. Wirklich, auch das Schwert am Boden rührt sich in keiner Weise, aber es lebt, denn es gibt jetzt einen kurzen Ton von sich, es seufzt. Was ist das für ein Zeitalter, das Künstlerinnen zu Löwen wirft, neben eine klirrende Kette, vor ein seufzendes Schwert, an die Seite von Leuten, die die sonderbare Laune haben, in eisernen Kasten zu wohnen? Plötzlich stürzt der Mond von seiner unermesslichen Höhe in den Hof hinab, der Frau vor die Füsse. Diese setzt den Fuss auf die blasse, schimmernde Kugel und bewegt sich solchermassen rund um die Kiste herum. Da zerteilt und zerlegt sich der Mond in ein weites Gewand, oder in eine Art Teppich, oder in eine Schicht weisslichen Nebel, die Häuser, die den Hof bilden, verschwinden, blendend weisse Alpengipfel steigen aus dem Abgrund der Bühne langsam in die Höhe, der Nebel legt sich den Alpen zu Füssen, ein rötlicher Stern schiesst aus der bläulich-schwärzlichen Luft herab in die Haartracht der Sängerin. Dieser Schmuck ist blendend, aber in diesem Moment entsteigt der Kiste eine hohe, dunkelgrüne Tanne, und der Mann steht, mit einer prachtvollen Rüstung bedeckt, unter den Ästen dieser Tanne, aber noch mehr: da, wo ein Löwe an der Kette gerissen hat, steht jetzt ein zierlicher Tempel von altgriechischer Bauart. Das Schwert hat, wie es scheint, Bewegung gefunden, denn es befindet sich wunderbarerweise jetzt in den Händen des Mannes, und dieser Mann! Worte wagen sich nicht an die Beschreibung seiner kräftestrotzenden Erscheinung heran. Er singt, oder irgend etwas um ihn herum scheint zu erbeben unter Klängen. Hinter den Bergen läuten die Glocken. Ein ferner, blauer See spiegelt sich in der Luft über den Häuptern der Darsteller formvollendet, aber verkleinert ab. Dem Bühnenboden entspriessen Gräser, Kräuter und Blumen, wir befinden uns, glauben wir, auf der üppigen Matte eines breiten Vorberges. Da kommt auch noch eine Kuh mit bim bam und bum bum und weidet friedlich. Ein Summen umhüllt alles. Aber wo ist sie Sonne. Ei, unter dem Sonnigen vergisst man eben die Gegenwart der Sonne. Aber plötzlich legt sich eine schwarze, ungeheuerlich grosse Hand breitfingrig über das alles und erdrückt es. Hinab! donnert eine höllische Stimme, und wieder taucht der schwärzliche Hof auf, der Löwe brüllt, die Zeit steht etwas abseits von dem Gebrüll an einen Pfahl angelehnt, unerkennbar und totenstill, der Kopf des Mannes ragt zur Kiste heraus, er murmelt jetzt etwas, und der künstlerische Schmerz singt wieder zum Fenster hinaus. Dazwischen hört man das ferne, ferne Gezwitscher eines Vogels, wobei man an den See denken muss, der in der losen Luft gehangen ist. Das Schwert schlägt dumpf zu Boden. Und nun sinkt der Gesang der Frau zu der anfänglichen Gesangschule herab, der Mann duckt sich eilig und verschwindet vollständig in seiner eisernen oder gusseisernen Umgebung. Die dunkle Gestalt raucht eine Zigarette, als wollte sie sagen: das ist mein Kennzeichen. Sie gibt dadurch tatsächlich dem Bild eine andre Wendung, denn nach einer momentanen Dunkelheit blicken die Zuschauer in ein modern ausgestattetes Kaffeehaus, worin einzelne Leute gierig Zeitungen lesen. Sie tippen mit den Fingern auf Gedrucktes, lächeln fein und farblos dazu und rufen dann: Bitte zahlen, Ober! Der Löwe spaziert manierlich herein, hinter ihm die vermeintliche Prinzessin, auch der Mann kommt, eine "interessante Erscheinung", dann das hübsch frisierte Schwert, dann der blauäugige See in ganz neuem Anzug, und bestellen alle hintereinander eine Tasse Kaffee und schwatzen miteinander.

(Mai 1909 in "Die Schaubühne"; "Aufsätze" 1913)

Tableau Vivant

Een grootsteedse binnenplaats, beschenen door de maan. Midden op de binnenplaats een ijzeren kist. Een zangstem die van binnenuit de toeschouwersruimte in klinkt. Een leeuw vastgebonden aan een ketting. Een zwaard naast de kist. Een donkere, onherkenbare gedaante iets verder daar vandaan. Het gezang, dat wil zeggen, een mooie jonge vrouw, buigt zich boven uit een door lampen verlicht raam, steeds maar doorzingend. Het lijkt ofwel een gevangen gehouden prinses van koninklijke komaf of een operazangeres. Aanvankelijk is het gezang net een eenvoudige, tamelijk schoolse zangoefening, maar geleidelijk aan verwijdt en verbreidt het zich tot iets groots, tot iets menselijks, het is meeslepend, het klaagt, dan weer lijkt het zich te verlustigen in zijn eigen smart. Dit gezang rukt de ramen uit elkaar en daaruit verschijnt in de lucht een fraai gebouwde trap om naar beneden te kunnen lopen. De vrouw komt naar beneden, maar nog steeds zingend. Uit de ijzeren of stalen kist duikt nu een mannenhoofd op, vreselijk bleek en omlijst met zwarte, wilde haren. De ogen van de man spreken de stomme taal van vertwijfeling, zijn brede, je kan wel zeggen: volkse mond glimlacht, maar wat is dat voor een vreselijke glimlach? Woede en verdriet lijken het tezamen in jarenlange oefening stilletjes in elkaar te hebben gezet. Zijn wangen zijn ingevallen, maar zijn hele gezicht drukt onuitsprekelijke goedheid uit, niet een goedheid die het makkelijk heeft, maar een die het ergste heeft meegemaakt. De zangeres gaat met een onnavolgbare beweging op de rand van de kist zitten, haar hand legt ze haast liefkozend op het hoofd van de ingeslotene. De leeuw rammelt met de ketting. Is hier alles, alles gevangen? Laten we kijken. Inderdaad, ook het zwaard op de grond roert zich op geen enkele manier maar het leeft want er komt nu een korte klank vandaan, het zucht. Wat is dat voor een tijdperk dat kunstenaressen voor de leeuwen gooit, naast een rinkelende ketting, bij een zuchtend zwaard, aan de zijde van mensen die de vreemde bevlieging hebben in ijzeren kasten te wonen? Plotseling stort de maan vanaf zijn onmetelijke hoogte in de binnenplaats neer, voor de voeten van de vrouw. Deze zet haar voet op de bleke, glanzende bol en ze beweegt zich op die manier rondom de kist. Dan verspreidt en verdeelt de maan zich in een wijds gewaad, of in een soort tapijt, of in een laag van wittige nevel, de huizen die de binnenplaats vormen verdwijnen, er rijzen langzaam schitterend witte Alpentoppen uit de diepte van het toneel omhoog, de nevel gaat aan de voeten van de Alpen liggen, er schiet een roodachtige ster uit de blauwig-zwartige lucht omlaag in de haardracht van de zangeres. Dit sieraad is schitterend, maar op dit moment stijgt er een hoge, donkergroene den uit de kist op, en de man staat, gehuld in een prachtige wapenrusting, onder de takken van deze den, maar er is nog meer: daar waar een leeuw aan de ketting gerukt heeft, staat nu een sierlijke tempel in Oudgriekse bouwstijl. Het zwaard is, naar het schijnt, in beweging geraakt want het bevindt zich nu wonderbaarlijk genoeg in de handen van de man, en deze man! Woorden wagen zich niet aan de beschrijving van zijn krachtpatserige verschijning. Hij zingt, of beter gezegd er lijkt ergens om hem heen iets met klanken te trillen. Achter de bergen luiden de klokken. Een ver, blauw meer weerspiegelt zich volmaakt van vorm in de lucht boven de hoofden van de acteurs, maar het wordt kleiner. Uit de toneelvloer ontsprieten gras, kruiden en bloemen, we bevinden ons, denken we, op de welige bergweide van een breed voorgebergte. Daar komt ook nog een koe aan met bim bam en boem boem en zij is vredig aan 't grazen. Alles is gehuld in gezoem. Maar waar is de zon. Hé, bij al dat zonnigs vergeet je gewoon de aanwezigheid van de zon. Maar plotseling gaat een zwarte, monsterachtig grote hand met brede vingers over dat alles heen liggen en hij drukt het plat. Omlaag! dondert een helse stem, en opnieuw duikt de zwartachtige binnenplaats op, de leeuw brult, de Tijd staat iets terzijde van het gebrul tegen een paal geleund, onherkenbaar en doodstil, het hoofd van de man steekt uit de kist, hij mompelt nu iets, en de kunstzinnige smart zingt weer uit het raam. Daartussen hoor je het verre, verre getjilp van een vogel waarbij je aan het meer moet denken dat los in de lucht heeft gehangen. Het zwaard slaat dof tegen de grond. En nu zakt het gezang van de vrouw weer af tot de zangschool van het begin, de man duikt schielijk weg en verdwijnt volledig in zijn ijzeren of gietijzeren omgeving. De donkere gedaante rookt een sigaret alsof ze wil zeggen: dat is mijn herkenningsteken. Zij geeft het tafereel daardoor inderdaad een andere wending want na een moment van donkerte kijken de toeschouwers in een modern ingericht koffiehuis waar enkele mensen gretig kranten zitten te lezen. Ze tikken met hun vingers op het gedrukte, ze glimlachen er netjes en nietszeggend bij, en roepen dan: Ober, afrekenen graag! De leeuw wandelt welgemanierd naar binnen, achter hem de vermeende prinses, ook de man komt, een "interessante verschijning", dan het mooi gekapte zwaard, dan het blauwogige meer in gloednieuw pak, en ze bestellen allemaal na elkaar een kop koffie en wauwelen met elkaar.

vertaling m.b.
december 2017