Höflichkeit

Nichts wäre langweiliger, als wenn man nicht höflich zueinander wäre. Die Höflichkeit ist für gesittete Menschen ein Vergnügen, und am Grad und an der Art seiner Höflichkeit erkennt man das Wesen eines Menschen wie von einem Spiegel zurückgeworfen. Wie schrecklich wäre es, wenn die Menschen aneinander vorbeigingen, ohne sich zu grüssen, oder wenn man den Hut nicht abzunehmen brauchte beim Eintritt in eine Stube, oder wenn man Eltern und Lehrern den Rücken kehren dürfte, wenn sie zu einem sprechen. Es wäre wahrscheinlich nicht zum Aushalten. Ohne Höflichkeit gäbe es keine Gesellschaft und ohne Gesellschaft kein Leben. Kein Zweifel: wenn nur zwei- oder dreihundert Menschen verstreut auf der Erde lebten, wäre die Höflichkeit überflüssig. Wir leben aber so eng beieinander, beinahe übereinander, dass wir keinen Tag ohne die Form artigen Entgegenkommens würden auskommen können. Wie unterhaltend sind die Regeln, denen man sich, will man ein Mensch unter Menschen sein, zu unterwerfen hat! Da ist keine Vorschrift, die nicht ihren Reiz hätte. Im Reich der Höflichkeit prickelt alles von feinen zierlichen Gängen, Strassen, Engpässen und Wendungen. Auch schauerliche Abgründe gibt es da, schauerlicher, als sie in den Hochgebirgen sind. Wie leicht, wenn man ungeschickt oder trotzig ist, kann man hineinfallen; und andererseits, wie sicher geht man auf den schmalen Wegen umher, wenn man gehörig aufmerksam ist. Freilich: Augen und Ohren und Sinne muss man auftun, sonst fällt man sicher. Ich empfinde die Höflichkeit beinahe als etwas Süsses. Ich gehe oft die Strasse auf und ab nur in der Absicht, einen Bekannten von meinen Eltern anzutreffen, um ihn grüssen zu können. Ob das Lüften meines Hutes graziös ist, weiss ich wahrlich nicht. Genug, wenn es mir Vergnügen macht, überhaupt zu grüssen. Reizend ist's, wenn man von erwachsenen Personen freundlich gegrüsst wird. Wie herrlich ist es, vor einer Dame den Hut abzunehmen und von ihren Augen liebreich angeblickt zu werden. Damen haben so gütige Augen, und das Nicken ihres Kopfes ist ein überaus lieblicher Dank für eine so geringe Arbeit, wie das Hutabnehmen ist. Lehrer soll man von weitem grüssen. Aber es steht Lehrern an, ebenfalls zu grüssen, wenn man sie grüsst. Sie setzen sich nur in der Wertschätzung ihrer Schüler herab, wenn sie meinen, ihren Wert dadurch erkennen zu geben, dass sie unhöflich sind. Höflichkeit fragt nicht nach dem Unterschied im Alter, sondern genügt sich einfach selber. Wer nicht höflich ist, wird es gegenüber niemand sein, und wem es Vergnügen macht, höflich zu sein, dem gewährt es ein noch viel grösseres, es vor jedermann zu sein. Je bedeutender und grösser der Höfliche ist, desto mehr Wohlwollen hat seine Artigkeit. Von einem grossen und einflussreichen Mann freundlich gegrüsst zu sein, ist ein wahrer Genuss. Grosse Leute müssen ja auch einmal klein gewesen sein, und dass sie jetzt gross sind, zeigen sie am besten durch ein gütiges und mildes Benehmen. Wer Herz hat, ist höflich. Das Herz erfindet die feinsten Formen der Höflichkeit. Man merkt es, wenn Menschen den Sitz ihrer Höflichkeit nicht im Herzen haben. Höflich sein kann man lernen, aber schwer, wenn man nicht das Talent dazu mitbringt, das ist: den herzlichen Wunsch, es zu werden. Höflich sein muss niemand, aber in jedermanns Wohlbefinden muss es liegen, leicht und ungezwungen artig zu sein.

März 1902 in „Sonntagsblatt des Bund“ (Bern) ; in „Fritz Kochers Aufsätze“

Beleefdheid

Niets zou vervelender zijn dan als we niet beleefd waren tegen elkaar. Beleefdheid is voor beschaafde mensen een genoegen, en aan de mate en aan de aard van zijn beleefdheid herken je het wezen van een mens als door een spiegel weerkaatst. Wat verschrikkelijk zou het zijn als mensen elkaar voorbijliepen zonder te groeten, of als je je hoed niet af hoefde te nemen bij het binnengaan van een vertrek, of als je je ouders en onderwijzers de rug mocht toekeren als ze tegen je praatten. Het was waarschijnlijk niet om uit te houden. Zonder beleefdheid was er geen maatschappij en zonder maatschappij geen leven. Geen twijfel mogelijk: als er slechts twee- of driehonderd mensen verstrooid op aarde leefden, was beleefdheid overbodig. Maar wij leven zo dicht op elkaar, bijna bovenop elkaar, dat we het geen dag zonder die vorm van hoffelijke voorkomendheid zouden kunnen stellen. Hoe onderhoudend zijn de regels waaraan je jezelf, wil je een mens onder de mensen zijn, hebt te onderwerpen! Er is geen voorschrift dat niet zijn bekoring heeft. In het rijk van de beleefdheid tintelt alles van fijnzinnige, sierlijke gangen, straten, knelpunten en bochten. Er zijn ook huiveringwekkende afgronden, huiveringwekkender dan in hooggebergten. Wat kun je daar, als je onhandig of koppig bent, makkelijk invallen; en anderzijds, wat loop je op die smalle wegen rustig rond als je naar behoren oplet. Maar: je moet wel je ogen en oren en hersens in werking stellen, anders val je beslist. Ik ervaar beleefdheid bijna als iets heerlijks. Ik loop vaak de straat op en neer, louter met de bedoeling een bekende van mijn ouders te ontmoeten om die te kunnen begroeten. Of het lichten van mijn hoed gracieus is, weet ik echt niet. Het volstaat als het mij genoegen doet op zijn minst te groeten. ’t Is fantastisch als je door volwassen personen vriendelijk gegroet wordt. Wat is het verrukkelijk om voor een dame je hoed af te nemen en door haar ogen liefdevol te worden aangekeken. Dames hebben zulke vriendelijke ogen, en het knikken van hun hoofd is een uiterst lieftallige dank voor zo’n geringe moeite als het afnemen van je hoed. Leraren moet je van verre groeten. Maar leraren horen terug te groeten als je ze groet. Ze zakken alleen maar in het waardeoordeel van hun leerlingen als ze denken hun waardigheid te bewijzen door onbeleefd te zijn. Beleefdheid vraagt niet naar verschil in leeftijd, maar zij voldoet gewoon aan zichzelf. Wie niet beleefd is, zal het tegenover niemand zijn, en wie het genoegen doet beleefd te zijn, die wordt een nog veel groter genoegen verschaft door het tegenover iedereen te zijn. Hoe belangrijker en voornamer de beleefde is, des te groter de gunst van zijn hoffelijkheid. Door een voorname en invloedrijke man vriendelijk gegroet worden is een waar genot. Voorname lieden moeten immers ook ooit onbeduidend zijn geweest, en dat ze nu voornaam zijn, laten ze het beste zien door een aardig en mild gedrag. Wie een hart heeft is beleefd. Het hart verzint de meest fijnzinnige vormen van beleefdheid. Je merkt het als mensen de zetel van hun beleefdheid niet in hun hart dragen. Beleefd zijn kun je leren, maar ’t is wel moeilijk als je niet een talent meebrengt zoals dit: de diepe wens om het te worden. Beleefd zijn moet niemand, maar iedereen moet er behagen in scheppen gewoon en ongedwongen hoffelijk te zijn.

vertaling machteld bokhove

(Dit is een stukje uit “Fritz Kochers Aufsätze”(1902), een bundel korte prozastukjes waarin Robert Walser in de inleiding vertelt dat de “opstellen”geschreven zouden zijn door een jonggestorven scholier en dat ze door diens trotse moeder aan Robert Walser ter publicatie zijn overhandigd nadat Walser haar heeft beloofd dat hij er niets in zal veranderen.)