Gretchen

Ein kapriziöses Mädchen war Gretchen. Sie wusste nicht, was sie wollte. Sie bekam einen Liebhaber. Schlimm, wenn ein Gretchen einen Verehrer bekommt. Er huldigte ihr; sie liess ihn fallen, dass er acht Tage im Bett liegen blieb. Er merkte sich's; leider aber vergass er's wieder total. Da er nicht mehr zu ihr kam, bekam sie Sehnsucht nach ihm, man nennt's auch Langeweile. "Sei doch so gut und komm", schrieb sie ihm. Das klang artig und fromm, er ging aber nicht hin, weil er sozusagen ihre Nichtanwesenheit vorzog. Sie war so zart, wie man's gar nicht schildern kann. Ein zartes, zartes Pflänzchen! Er kam ihr wie ein Grobian vor; im Grunde war er keiner, sondern ein Zartian, Empfindian. Sie bildete sich eben ein, was nicht war. Armes Gretchen! Einmal weinte sie: über was, wusste sie nicht, schob es aber auf seine Rechnung, belastete ihn dafür, was der Gipfel der Bequemlichkeit genannt werden durfte und musste. So könnte jede kommen, nicht wahr? Sie hiess ihn unbarmherzig, er sie seinerseits unmöglich, worüber sie zornig wurde. Überflüssige Anstrengung! Gretchen trieb Luxus: sie war reicher Leute Kind; namenlos fein erzogen. Bald lachte, bald schimpfte sie über den, von dem sie nicht wusste, ob sie ihn liebe. Zeitweise hasste sie ihn und hasste dann auch sich, was uns beweist, dass sie ihn eigentlich liebte. Sie wünschte ihn herbei und zugleich tausend Kilometer weit fort. Gehörte sie in ärztliche Behandlung? In der Tat starb sie; da lachte er. Wie sie das hörte, stand sie vom Tode auf, einzig, um ihm zu sagen, wie schlecht sie das von einem treuergebenen Liebhaber finde. Sie scheint also doch nicht so recht gestorben gewesen zu sein. Bald fand sie ihn charmant, bald blöd, fiel ihm aus lauter Abneigung an die Brust, bei welcher Gelegenheit er ihres Busens Pochen verspürte, eine Musik, die ihn bewog, ihr zu sagen: "Ich liebe Dich." Sie rief: "Unanständiger!"und floh. Was tat er? Sprang er ihr nach? Nein, er liess sie laufen. Das nahm sie ihm sehr übel. Wir müssen die Erzählung von Gretchen und ihrem Anbeter unterbrechen, weil wir launisch zu werden fürchten wie erstere und lächerlich wie letzerer, windspielhaft wie beide und den Kopf in abgründischer Verlegenheit brächen, was uns leid täte, weshalb wir sagen: adieu, Gretchen!

(Februar 1925, in "Frankfurter Zeitung" und "Prager Tagblatt")

Grietje

Grietje was een capricieus meisje. Ze wist niet wat ze wilde. Ze kreeg een minnaar. Niet best, als een grietje een aanbidder krijgt. Hij maakte haar 't hof; zij liet hem vallen zodat hij acht dagen in bed bleef liggen. Hij onthield 't; maar helaas vergat hij 't ook weer helemaal. Omdat hij niet meer bij haar kwam, begon zij naar hem te verlangen, men noemt 't ook wel verveling. "Wees zo goed om te komen", schreef zij hem. Dat klonk hoffelijk en onschuldig, maar hij ging niet, omdat hij om zo te zeggen de voorkeur gaf aan haar niet-aanwezigheid. Zij was van een tederheid zoals met geen pen te beschrijven valt. Een teer, teder plantje! Hij leek haar een lomperik; goed beschouwd was hij dat niet, eerder een lieverik, een sentimentelerik. Zij beeldde zich nu eenmaal dingen in die niet waar waren. Arme Grietje! Zij huilde een keer: waarover wist zij niet, ze schreef het echter op zijn rekening, belastte hem daarmee, wat het toppunt van gemakzucht mocht en moest worden genoemd. Zo kon iedereen zich wel ergens vanaf maken, nietwaar? Zij noemde hem onbarmhartig, hij haar van zijn kant onmogelijk, waarover zij verbolgen werd. Overbodige moeite! Grietje leidde een luxeleven: zij was een rijkeluiskind; onnoemelijk deftig opgevoed. Nu eens lachte zij om hem, dan weer schold zij op degene waarover zij niet wist of zij hem liefhad. Van tijd tot tijd haatte zij hem en haatte dan ook zichzelf, wat voor ons het bewijs is dat zij hem eigenlijk liefhad. Zij wenste hem bij zich en tegelijkertijd duizenden kilometers ver weg. Hoorde zij onder doktersbehandeling? Zij stierf inderdaad; daarop lachte hij. Toen zij dat hoorde, stond zij op uit de dood, alleen om hem te zeggen hoe slecht zij dat van een toegenegen minnaar vond. Zij lijkt dus toch niet zo echt gestorven geweest te zijn. Nu eens vond zij hem charmant, dan weer idioot, liet zich uit louter afkeer aan zijn borst vallen, bij welke gelegenheid hij het geklop in haar boezem bespeurde, een muziek die hem ertoe bewoog haar te zeggen: "Ik hou van je". Zij riep: "Schoft!" en vluchtte weg. Wat deed hij? Rende hij haar achterna? Nee, hij liet haar gaan. Dat nam zij hem zeer kwalijk. Wij moeten de vertelling over Grietje en haar aanbidder onderbreken, omdat wij humeurig vrezen te worden als de eerste en belachelijk als de laatste, windvaanachtig als beiden en ons in peilloos diepe verlegenheid het hoofd zouden breken, wat ons zou spijten, om welke reden wij zeggen: adieu, Grietje!

vertaling machteld bokhove