Beiseit

Ich mache meinen Gang;
der führt ein Stückchen weit
und heim; dann ohne Klang
und Wort bin ich beiseit.

(Augustus 1899 in “Wiener Rundschau”)

(dit gedicht staat op de bescheiden gedenksteen van Walser op de begraafplaats in Herisau waar zijn graf al lang geruimd is)

Opgeruimd

Geregeld wandel ik
en kom, hoe ook geluimd,
weer thuis: ik geef geen kik
en ben dan opgeruimd.

Liebe

Ich bin der Liebling meiner selbst.
Ich bin es, der mich liebt und hasst.
Ach, keine Liebesmacht erfasst
mich selbst so völlig wie ich selbst.
Oft, wenn ich stundenlang allein
mit mir in Selbstgedanken lag,
war ich mir Nacht, war ich mir Tag,
war ich mir Qual und Sonnenschein.
Ich bin die Sonne, die mich wärmt.
Ich bin das Herz, das mich so liebt,
das so vergessen hin sich gibt,
das sich um seinen Liebling härmt.

(uiterlijk 1900, nooit gepubliceerd)

Liefde

Ik ben de lieverd van mezelf,
Het ik dat mij bemint en haat.
Ach heus, geen liefdeskracht verstaat
mijzelf completer dan ik zelf.
Vaak als ik door alleen te zijn
in diep gepeins verzonken lag,
was ik mijn eigen nacht en dag,
mijn kwelling en mijn zonneschijn.
De zon ben ik, die koestert mij.
Ik ben het hart dat van mij houdt,
dat mij vol overgaaf vertrouwt,
het staat zijn lieverd altijd bij.

Der Schnee

Der Schnee fällt nicht hinauf
sondern nimmt seinen Lauf
hinab und bleibt hier liegen,
noch nie ist er gestiegen.

Er ist in jeder Weise
in seinem Wesen leise,
von Lautheit nicht die kleinste Spur.
Glichest doch du ihm nur.

Das Ruhen und das Warten
sind seiner üb’raus zarten
Eigenheit eigen,
er lebt im Sichhinunterneigen.

Nie kehrt er dorthin je zurück,
von wo er niederfiel,
er geht nicht, hat kein Ziel,
das Stillsein ist sein Glück.

(ongepubliceerd; 1927/1928?)

Sneeuw

Sneeuw valt niet naar boven,
maar komt zacht aangeschoven
naar benêe en blijft hier onderaan,
nog nooit is sneeuw omhoog gegaan.

Hij houdt zich naar zijn aard
in ieder opzicht heel bedaard,
zelfs nog geen zuchtje komt er vrij.
Was jij maar net als hij.

Het rusten en het wachten
zijn z’n bijzonder zachte
eigenschappen eigen,
hij leeft van neerwaarts zijgen.

Nooit keert hij terug naar dat domein
vanwaar hij neer kwam zweven,
hij loopt niet, heeft geen streven,
zijn geluk is stil te zijn.

Der Roman

Zum Frühstück gab es Brötchen,
hierzu trank man Kaffee;
die Katze und ihr Pfötchen
noch heut‘ ich vor mir seh‘.

Ich schuf um jene Zeiten
auf hübsch geblümtem Tuch,
Erfolg mir zu erstreiten,
ein umfangreiches Buch.

Durch Tage, Nächte, Wochen,
in schweigendem Gelass
schrieb ich ununterbrochen,
was für ein Fleiss war das!

Der Katze leises Raunen
trieb mich zum Dichten an.
Aus einer Schar von Launen
entstand mir der Roman.

(Augustus 1930 in “Die literarische Welt”)

(ik denk dat Walser dit gedicht schreef in herinnering aan Berlijn waar hij bij zijn broer Karl aan de keukentafel, met zwarte poes Muschi aan zijn zijde, de romans Geschwister Tanner en Der Gehülfe schreef.)

 

Mijn roman

Ik nam ontbijt met broodjes
en dronk daar koffie bij;
de poes met haar vier pootjes
leeft nu nog voort in mij.

Daar aan dat tafellaken,
een leuk gebloemde doek,
zat ik naar roem te haken:
ik schiep een heel dik boek.

Wel dagen, nachten, weken,
schreef ik in stilte door,
en zonder onderbreken,
van luiïgheid geen spoor!

De poes die lag te spinnen
dreef mij tot schrijven aan.
Uit elk humeur zijn zinnen
voor mijn roman ontstaan.

 

 

Die fünf Vokale

Als ich zum ersten Mal die Sanfte sah,
standen wir uns in jeder Weise nah,
sie glich für mich die himmelblaue A.

Da kam ich eines Tages in die Näh'
einer liebreizenden, graziösen Fee,
in ihr macht' ich Bekanntschaft mit dem E.

Nie dacht' ich treulos sein zu können, nie;
umsonst fragt' ich mich tausendfältig: "Wie
ist's möglich? Mahnt an Poesie nicht I?"

Wie kam ich lieblos, unachtsam und roh
mir vor, das Zartgefühl des Liebsten so
zu kränken, wie sich's schickte für ein O!

Ich sagte zum Imstichgelassene: "Du,
mit deinen Ansprüchen, lass mich in Ruh'",
gebärdete mich ganz und gar wie U.

Dezember 1928 in "Prager Tagblatt"

De vijf vocalen

Ik zag die goeierd in een pergola,
wij vielen voor elkaar al snel daarna,
zij was voor mij de hemelsblauwe A.

Wat later viel mijn oog bij een diner
op een lieftallige, gracieuze fee,
ik maakte hierdoor kennis met de E.

Ontrouw zijn kwam nooit in me op, maar zie!
Vergeefs vroeg ik me steeds weer af: "O wie
denkt niet meteen aan poëzie door I?"

Wat liefdeloos en van een laag niveau
kwam ik mij voor, om mijn geliefde zo
te kwetsen, wat wel paste bij een O!

Ik zei tot de verlatene: "Welnu,
veeleisende, laat mij met rust, salut",
dus ik gedroeg me helemaal als U.

Ich wollt', ich hätte

Ich wollt', ich hätte allerlei noch nicht geschrieben,
mir ist zu sagen nichts mehr fast übrig geblieben.
Ich wollt', es hülf' mir jemand witzig hier zu werden,
bisweilen komm' ich missgestimmt mir vor auf Erden.
Hätte ich heut' statt zwei Glas Bier Kaffee gesoffen,
so gäb' es eher etwas vom Gedicht zu hoffen,
das jetzt entsteht und mir nicht schnell gelingen will,
obschon 's unsäglich still um mich ist, still,
wie ich es ungestörter mir nicht wünschen könnte,
obschon ich mir vielleicht gern etwas andres gönnte.
Ich weiss nicht, ob ich besser heute Wurst gegessen hätte
als Käse und ob ich's Gedichtelchen noch rette,
das Bruch zu sein mir scheint. Wie Hermann Hesse
mitunter tut, mach' ich nun eine dumme Fresse.
Zwar wollte ich, ich hätte Letzt'res nicht gesagt,
mir scheint, dass es durch Eleganz hervor nicht ragt,
inzwischen schlafe ich so lange, bis es tagt.

November 1928 in "Die literarische Welt"

Ik wou dat ik

Ik wou dat ik een heleboel niet al had opgeschreven,
mij is nu om te zeggen haast niets meer nog overgebleven.
Ik wou dat iemand hielp mij geestig hier te laten zijn,
zo nu en dan voel ik m' ontstemd en vol chagrijn.
Had ik vandaag niet twee maal bier maar koffie opgezopen,
dan viel 'r van dit gedicht nog iets te hopen,
dat nu ontstaat en mij maar niet snel lukken wil,
hoewel 't onnoem'lijk stil is om me heen, heel stil,
ik zou 't mij ongestoorder echt niet wensen kunnen,
ook al zou 'k me graag misschien iets anders gunnen.
Ik weet niet of 'k vandaag geen worst had moeten eten
maar kaas en of ik mij met dit gedicht nog raad zal weten,
dat mij op rotzooi lijkt. Precies als Hermann Hesse
wel eens doet trek ik een dom gezicht met veel souplesse.
Toch had ik m' aan die laatste regels liever niet gewaagd,
mij lijken ze qua elegantie niet geslaagd,
intussen slaap ik zolang door totdat het daagt.

Briefstelle zur Poesie

Also was die Sehnsucht betrifft, so ist sie erstens etwas Überflüssiges, zweitens etwas Begreifliches und drittens etwas Unbegreifliches! - Überflüssig ist sie, weil sie einem nur belästigt, begreiflich ist sie, gerade so gut, wie die Krankheit begreiflich ist, oder die Sünde; aber unbegreiflich ist sie, weil so viele Menschen ohne sie, die Überflüssige, nicht leben können, weil so viele Menschen Sehnsucht betreiben, in Sehnsucht vergehen und nicht aus der Sehnsucht herauskommen, ja sogar darin eine Art Süssigkeit fühlen. Dass die Menschen etwas Lästiges so viel und gern betreiben, etwas so sehnsüchtiges wie die Sehnsucht, das ist das Krankhafte, das an uns haftet! Schon aus diesem Grund allein ist diese Religion so unnatürlich, so menschenunwürdig! Ein Mensch, der sich die Sehnsucht abgeschüttelt hat, hat besser getan, als ein anderer, der 100 sehr gut gereimte aber sehnsüchtige Lieder geschrieben hat. Solche Lieder sollten überhaupt gar nicht gedruckt werden. Hier sollte die Polizei entschieden eingreifen! O Uhland und dergleichen!

30. Juli 1897, an seine Schwester Lisa

Brieffragment over poëzie

Dus wat het verlangen betreft, dat is ten eerste iets overbodigs, ten tweede iets begrijpelijks en ten derde iets onbegrijpelijks! - Het is overbodig omdat het je alleen maar hindert, het is begrijpelijk net zoals de ziekte begrijpelijk is, of de zonde; maar het is onbegrijpelijk omdat zoveel mensen niet zonder kunnen leven, zonder dat overbodigs, omdat zoveel mensen zich bezighouden met verlangen, van verlangen vergaan en geen uitweg vinden uit het verlangen, ja er zelfs een soort lekkernij in zien. Dat mensen zich zo vaak en graag bezighouden met iets hinderlijks, met zoiets verlangends als het verlangen, dat is het ziekelijke dat aan ons kleeft! Alleen al om deze reden is deze religie zo onnatuurlijk, zo mensonwaardig! Iemand die het verlangen van zich heeft afgeschud heeft het beter gedaan dan iemand anders die 100 zeer goed gerijmde maar verlangende liederen heeft geschreven. Zulke liederen zouden helemaal niet gedrukt moeten worden. Hier zou de politie vastberaden in moeten grijpen! O Uhland* en de zijnen!

* Johann Ludwig Uhland, Duits romantisch, lyrisch dichter (1787-1862)

 

 

 

vertaling machteld bokhove