Erinnerung

Soviel ich mich erinnere, war es so: er, der sonderbare ältere Mann und ich, der ebenso seltsame, sonderbare, jedoch junge Mann, sassen einander in seinem, des älteren Mannes, Zimmer gegenüber. Er schwieg nur immer, ind ich, ich redete nur immer. - Was war es, was mich bewegen konnte, so stürmisch zu reden, und was war es, was ihn, der mir gegenüber sass, bewegen konnte, so beharrlich zu schweigen? Je ungeduldiger, feuriger und offenherziger ich sprach, um so tiefer hüllte er sich in sein geheimnisvolles, düsteres und trauriges Schweigen. Mit traurigen Augen betrachtete er mich vom Kopf bis zu den Füssen, und von Zeit zu Zeit, und das war mir das Allerunangenehmste, gähnte er, indem er die Hand wie entschuldigend zum Munde führte. Seltsame Käuze, sonderbare Sonderlinge waren wir sicherlich beide, er mit seinem Gähnen und beharrlichen Stillschweigen und ich mit meinem fortgesetzten Bestürmen eines Ohres, das offenbar auf alles, was ich sagte, gar nicht hörte, das ganz woanders hinhorchte als auf mein herzliches Reden. Jedenfalls war es eine bedeutingsvolle Stunde, und darum ist sie mir so lebhaft in der Erinnerung geblieben. Auf der einen, das heisst auf seiner, des älteren, gereiften Mannes Seite ein glanzloses Auge und ein Benehmen, welches Gelangweiltheit verkündete, und auf der anderen, das heisst auf meiner Seite idealisch loderndes Wesen und eine hingeworfene, hingegossene Beredsamkeit, die, der leichten Welle ähnlich, am Felsen von des mürrischen Mannes trockenem und hartem Betragen zerschellte. Sonderbar bei der ganzen Sache war, dass ich wohl wusste, wie wenig Wert all mein Reden und Sprechen habe, wie wenig Eindruck es machen müsse, und das ich vielleicht gerade darum mich nur um so inniger in das beseelte Sprechen hineinsprach. Ich glich einem Brunnen, der nicht anders konnte als zu sprudeln, einer Quelle, die hervorbrach mit all ihrem drängenden Inhalt, ohne das sie es wollte. Ich wollte und wollte wieder absolut nicht reden. Es drang so heraus, und alles, was ich fühlte und dachte, sprang mir als Wort und Satz über die Lippen, welche öfters in der Eile und in der seltsamen Beklemmung anfingen zu stottern, wobei es mir war, als sehe ich mein Gegenüber spöttisch lächeln, als habe er eine Art von dunkler, stiller Freude, mich in der Bedrängnis zu sehen, welche mich umflatterte.

(aus der Sammlung "Kleine Dichtungen", 1914/15)

Herinnering

Voor zover ik mij herinner, was het zo: hij, de zonderlinge oudere man en ik, de eveneens eigenaardige, zonderlinge, maar nog jonge man, zaten in zijn kamer, die van de oudere man, tegenover elkaar. Hij bleef maar zwijgen, en ik, ik bleef maar praten. - Wat was het, dat mij ertoe kon brengen, zo onstuimig te praten, en wat was het, dat hem, degene die tegenover mij zat, ertoe kon brengen zo standvastig te zwijgen? Hoe ongeduldiger, vuriger en openhartiger ik sprak, des te dieper hulde hij zich in zijn geheimzinnige, duistere en treurige stilzwijgen. Met treurige ogen zat hij mij van top tot teen te bekijken, en van tijd tot tijd, en dat was voor mij het alleronaangenaamste, geeuwde hij, waarbij hij zijn hand als een gebaar van verontschuldiging naar zijn mond bracht. Eigenaardige kerels, uitzonderlijke zonderlingen waren wij beiden ongetwijfeld, hij met zijn gegeeuw en standvastige stilzwijgen en ik met mijn aanhoudende bestorming van een oor dat duidelijk helemaal niet luisterde naar wat ik zei, dat op iets heel anders gespitst was dan op mijn hartelijke geklets. In ieder geval was het een betekenisvol uur, en daarom is het mij zo levendig bijgebleven. Van de ene kant, dat wil zeggen van zijn kant, de kant van de oudere, gerijpte man, een doffe blik en een gedrag dat verveling uitdrukte, en van de andere, dat wil zeggen van mijn kant een dromerig opvliegende manier van doen en een eruitgegeooide, eruitgesmeten woordenvloed, die als een lichte golf op de rots van het droge en strenge gedrag van de norse man uiteenspatte. Zonderling aan de hele zaak was dat ik wel wist van hoe weinig belang al mijn gepraat en geklets was, hoe weinig indruk het moest maken, en dat ik misschien juist daarom des te vollediger in het bevlogen gepraat opging. Ik leek op een bron die niets anders kon dan opborrelen, op een wel die al haar stuwende inhoud liet losbarsten zonder dat zij het wilde. Ik wilde en wilde steeds weer helemaal niet praten. Het stroomde er zomaar uit, en alles wat ik dacht en voelde, vloog als woorden en zinnen over mijn lippen, die herhaaldelijk in de haast en de eigenaardige beklemming begonnen te stotteren, waarbij ik het gevoel had alsof ik degene tegenover mij spottend zag glimlachen, alsof hij er een soort van duister, stil genoegen in schepte mij te zien zitten in de benardheid die om mij heen fladderde.

vertaling machteld bokhove