Eine Stadt (I)

Eines Tages, mitten im Sommer, langte ich in einer Stadt an, in welcher ich einstmals gewohnt hatte, die ich aber nun schon seit manchem Jahr nicht mehr wiedersah. Sie sah so bleich, so farblos aus, die Stadt, dass ich mich für ihr fürchtete. Ich ging durch die altbekannten Gassen, in der Vermutung, dass mich ihr Anblick ergötzen und erquicken werde, doch es war ganz anders, der Anblick schlug mich nieder, und ein seltsames, unbeschreibliches Verzagen ging mir durch die enttäuschte Seele. Es kam mir alles so tot vor, die Leute erschienen mir wie Gespenster. Unerfreut starrten mich die bleichen Häuser an, und ich wiederum betrachtete sie voller Misstrauen. Die Frauen kamen mir wie keine Frauen, die Männer wie keine Männer vor, und ich selber war zum unglücklichen Gespenst geworden in der gespenstischen und unglücklichen Umgebung. Das elektrische Tram erschien mir wie irrsinnig, die ganze Stadt machte mir den kummervollen Eindruck eines traurigen, hoffnungslosen Traumes. Gebeugt von der Unruhe und niedergeschlagen von den üblen Eindrücken, trat ich in ein Wirtshaus, um mich ein wenig zu erfrischen, aber ich fand nur neuerlichen Schrecken. "Warum bin ich nur hierher gekommen", dachte ich, und ich verliess die Halle. In der Gasse, durch die ich nun ging, roch es wie nach dem Entsetzen. Ein altes geschminktes Weibsbild lächelte grässlich aus einem Fenster zu mir herunter. Mir schien, als wenn der Mord hier herum zu Hause sei. Ich sehnte mich nach einer Tiefe, nach einer Kühle, aber es war ringsum alles flach, schwül und leer. Staub in den engen, fürchterlich kleinen Gassen, in denen Zwerge und ungezieferartige Tiere zu leben und zu hausen schienen und nicht Menschen. Die Fenster grinsten wie Grimassen mich an, und die offenen Haustüren sahen aus, als seien sie sperrangelweit offen für jegliche Art von Verrat, Laster und Verbrechen. Keine Tugend, keine Ehrlichkeit, keine Ehrsamkeit schien mehr in dieser weltverlassenen Stadt möglich, ich konnte kein Kindergesicht finden, die Kinder schienen gestorben zu sein in dieser Stadt des starrenden und stierenden Entsetzens. Ich ging wie wund umher, ich hätte mich am liebsten am Strassenboden niedersetzen und heulen mögen, wie ein Tier, wie ein armer Hund, der seinen lieben gütigen Herrn verloren. Ohne Stern war diese Stadt, ohne Sonne und ohne Mond. Traurig ging ich weiter. Da zog es mich in ein Haus, oh, in ein Haus hinein, in das ich früher so oft gegangen. In dem Hause hatte ich einstens gewohnt, und wie fröhlich war ich aus und ein gegangen. Jetzt konnte ich das gar nicht mehr begreifen. Furchtsam stieg ich die Trappe hinauf, die schlecht gehalten war. Eine Beklemmnis begleitete mich hinauf, und da sah ich das dunkle Zimmer wieder, in welchem ich ehemals logiert hatte, aber es war ein anderes Zimmer. Ich kannte es nicht mehr. Es glich einem Sarg, und ein eisiger Schauer lief mir über den Rücken. Ich ging nun auf die Suche nach einer Frau, die ich geliebt hatte, aber die Leute schauten mich fremd und verständnislos an, als habe ich mich nach einer Frau erkundigt, die vor tausend Jahren lebte. Wie süss, wie liebevoll war sie gewesen. Ich fühlte noch die sanften Liebkosungen ihrer Hand auf meiner Stirn, und es war mir, wie ich nun so meines Weges weiterging, als sollte sie auf mich hinzutreten und mich küssen. Aber es begegnete mir niemand, der mich kannte. Alles, alles war fremd. Mir war nichts wert, und ihnen allen, den fremden Leuten, war ich nichts wert. Ich drehte der Stadt den Rücken und wanderte weiter.

("Der Neue Merkur", Mai 1914)

Een stad (I)

Op een dag, midden in de zomer, kwam ik in een stad aan waar ik vroeger gewoond had, maar die ik nu al sinds verscheidene jaren niet meer teruggezien had. Zij zag er zo vaal, zo kleurloos uit, die stad, dat ik bang van haar was. Ik liep door de vertrouwde straten in de veronderstelling dat het weerzien mij zou vermaken en verkwikken, maar het liep heel anders, het weerzien maakte mij terneergeslagen, en een vreemde, onbeschrijflijke moedeloosheid vulde mijn teleurgestelde ziel. Alles kwam me zo doods voor, de mensen leken net spoken. Vreugdeloos staarden de vale huizen mij aan, en ik bekeek ze dan ook vol wantrouwen. De vrouwen leken geen vrouwen, de mannen geen mannen, en zelf was ik een ongelukkig spook geworden in de spookachtige en ongelukkige omgeving. De elektrische tram leek wel krankzinnig, de hele stad maakte op mij de ellendige indruk van een treurige, uitzichtloze droom. Gekweld door onrust en terneergeslagen door de nare indrukken ging ik een herberg binnen om een beetje bij te komen, maar ik stuitte alleen maar op nieuwe verschrikkingen. "Waarom ben ik hier nou naar binnen gegaan", dacht ik, en ik verliet het lokaal. In de straat waar ik nu doorheenliep, rook het als het ware naar ontzetting. Een oud geschminkt vrouwengezicht keek afgrijselijk glimlachend vanuit een venster op me neer. Het scheen me toe dat het moorden zich hier overal thuis voelde. Ik verlangde naar iets dieps, naar iets koels, maar alles om mij heen was plat, benauwd en leeg. Stof in de smalle, vreselijk kleine straatjes, waarin dwergen en ongedierteachtige beesten leken te leven en te wonen en geen mensen. De vensters grijnsden mij grimassend aan, en de open voordeuren zagen eruit alsof ze wagenwijd openstonden voor ieder soort verraad, laster en misdaad. Geen deugd, geen eerlijkheid, geen eerzaamheid leek nog mogelijk in deze van de wereld verstoken stad, ik kon geen kindergezicht vinden, de kinderen leken gestorven te zijn in deze stad van de stollende en starende ontzetting. Ik liep rond als gewond, ik was het liefst op de straatstenen gaan zitten huilen, als een dier, als een arme hond, die zijn lieve goedhartige baas kwijt is. Er was geen ster te bekennen in deze stad, geen zon en geen maan. Treurig liep ik verder. Toen dreef iets mij een huis binnen, ach, een huis, waar ik vroeger zo vaak naar binnen gelopen was. In het huis had ik ooit gewoond, en hoe vrolijk was ik er toen in- en uitgelopen. Nu kon ik dat helemaal niet meer bevatten. Angstig beklom ik de trap die slecht ondersteund was. Een gevoel van beklemming begeleidde mij naar boven, en daar zag ik de donkere kamer terug waarin ik vroeger gelogeerd had, maar het was een andere kamer. Ik herkende haar niet meer. Zij leek op een doodskist, en een ijzige huivering liep over mijn rug. Ik ging nu op zoek naar een vrouw die ik bemind had, maar de mensen keken mij vreemd en vol onbegrip aan alsof ik naar een vrouw informeerde die duizend jaar geleden geleefd had. Wat was zij schattig, wat was zij liefdevol geweest. Ik voelde nog de zachte liefkozingen van haar hand op mijn voorhoofd, en ik had het gevoel, terwijl ik nu zo verder mijns weegs ging, alsof ze zo op me af zou kunnen komen en mij zou kussen. Maar ik kwam niemand tegen die mij kende. Alles, alles was vreemd. Voor mij was er niets van belang, en voor hen, voor al die vreemde lieden, was ik niet van belang. Ik keerde de stad de rug toe en trok verder.

vertaling m.b.