Dienstmädchen und Dichter

Leute von Gewicht erkundigten sich nach Erichs Befinden. Der dichtete. Honorare hatten ihn die schöne Möglichkeit erleben lassen, sich hübsche Möbel anzuschaffen. Seine allabendlichen Erholungsbedürfnisse begaben sich ins köstlichste Bett. Alabastervasen zierten seinen Schreibtisch, worin sich Freundinnenbenachrichtigungen aufhielten, indes sich Erika damit beschäftigte, daß sie den Verfasser manchen gediegenen Prosastückes aufmerksam anschaute. Ihre Figur war entzückend, was von Erich verhältnismäßig rasch wahrgenommen worden war. Er lächelte sie eines Tages vielleicht nur zu freudig an, obgleich er über die einflußreichsten, elegantesten Bekanntschaften verfügte, und von da an hielt sie ihn für den Ihrigen.
Gelegentlich sprach sie zu ihm: "Hier gibt's Wanzen!" Tatsache aber war, daß gar keine solchen in der Dichterwohnung existierten. Erika tat bloß, als sei dies der Fall, um Erich sagen zu können: Komm mal her!", bei welcher Gelegenheit sie ihn, wie man hört, duzte. Er erbebte! Nichtsdestoweniger versuchte er sich zu fassen, und nachdem ihm dies gelungen zu sein schien, begab er sich dorthin, wohin er gerufen worden war und wo es Erika einfiel, ihn mit den Worten zu erquicken: "Geh hinaus!"
Wo es gegolten hatte, schleunigst zwecks Wanzenbesichtigung seriös heranzukommen, kam es lediglich auf Ewigweibliches usw. an. Als er zu stammeln im Sinne hatte: "Ich liebe dich!", fertigte ihn die Bemerkung ab: "Weiß es schon!"
Nachdem sie eine Minute geschwiegen hatten, führte sie aus: "Um dich zu verhindern, dir auf dein Dichten viel einzubilden, will ich dich beherrschen. Dein bisher Geschriebenes drückt, plagt dich. Mein Einfluß wird dir die Fähigkeit beibringen, mit so viel Sprachsparsamkeit wie möglich in deinem Beruf auszukommen. Ich werde bemüht sein, dich an deiner Arbeitsamkeit irrezumachen. Meine Absicht ist, dich zum zeitverschwenderischsten Autor zu machen, den's je gab."
Vergeblich hielt er ihr vor das Gewissen: "Meine Kollegen werden sagen, daß es schade um mich sei."
Sie entgegnete: "Binde mir die Schuhe!"

(November 1927 in "Simplicissimus")

Dienstmeisje en dichter

Mensen van gezag informeerden naar Eric z'n welzijn. Die was dichter. Honoraria hadden hem mooi in de gelegenheid gesteld zich van fraaie meubels te voorzien. Zijn behoefte aan ontspanning dreef hem iedere avond een overheerlijk bed in. Albasten vazen sierden zijn schrijftafel waarin zich informatie van vriendinnen bevond, terwijl Erica intussen bezig was deze schrijver van menig gedegen prozastuk aandachtig aan te kijken. Haar figuur was verrukkelijk, hetgeen door Eric betrekkelijk snel waargenomen was. Hij glimlachte op een dag misschien alleen iets te blijmoedig naar haar, ook al beschikte hij over de invloedrijkste, elegantste kennissen, en vanaf dat moment beschouwde zij hem als de hare.
Soms praatte ze tegen hem: "Er zitten hier luizen!" Het was echter een feit dat dergelijke beestjes helemaal niet voorkwamen in de woning van de dichter. Erica deed alleen maar alsof, om tegen Eric te kunnen zeggen: "Kom eens hier!", bij welke gelegenheid zij hem, zoals men hoort, tutoyeerde. Hij begon te beven! Desalniettemin probeerde hij zich te beheersen, en pas toen hem dit gelukt leek, begaf hij zich naar de plek waar hij heen geroepen was en waar het plotseling in Erica opkwam hem te trakteren op de woorden: "Ga weg!"
Waar het erom ging zo vlug mogelijk ten behoeve van een serieuze luizeninspectie dichterbij te komen, kwam het enkel en alleen aan op het eeuwig vrouwelijke enz. Toen hij op het punt stond te stamelen: "Ik heb je lief!", werd hij afgescheept met de opmerking: "Weet ik al!"
Nadat zij een minuut gezwegen had, verklaarde zij: "Om jou te weerhouden van een zeer hoge dunk van je eigen dichtkunst, zal ik je in toom houden. Dat wat je tot nu toe geschreven hebt, bedrukt en kwelt je. Mijn invloed zal jou het vermogen bijbrengen je met zoveel mogelijk taalzuinigheid te redden in je beroep. Ik zal mijn best doen jou van de wijs te brengen met je vlijt. Het is mijn bedoeling van jou de meest tijdverkwistende auteur te maken die ooit bestaan heeft."
Tevergeefs deed hij een beroep op haar geweten: "Mijn collega's zullen zeggen dat het zonde van mij zou zijn."
Zij bracht hier tegenin: "Maak mijn schoenen vast!"

vertaling machteld bokhove