Die Strasse (II)

In Gedanken ging ein Mann durch die Strasse, die ich mir darzustellen Mühe geben will. Sein Hut sass tief, so dass sein Gesicht nur zur Hälfte zum Vorschein kam. Er sah, als er in die Nähe eines Platzes kam, der mit Bäumen geziert war, einen jungen, eleganten Herrn auf einer der Bänke sitzen, die zum Ausruhen und Sichbesinnen geschaffen sind. Ein bisschen Wind wehte. Ob's ein Ost- oder Westwind war, wurde nicht spürbar. Aus dem Fenster eines benachbarten Bureaus klang das hämmerlige Klappern einer amtierenden Schreibmaschine. Wer war der Bonvivant auf der Bank unter den hie und da mit feiner Gleichgültigkeit zappelnden Blättern? Einer, der seine gutbezahlte Stelle verscherzt hatte? Jetzt schien er die Absicht zu haben, entweder eine geeignete weibliche Bekanntschaft anzubahnen oder, falls sich dies nicht realisieren liesse, eine Art Bekenntnisroman zu schreiben. Man sah ihm an, er besitze eine gewisse Bildung, sei so weit intelligent, leide wahrscheinlich nur an Charakterfestigkeitsmangel und Abwesenheit von Zähigkeit und Ausdauer. Spatzen piepsten im Grünen auf eine so vögelig-unbesorgte Weise, dass man glaubte, sie belustigten sich über das Menschenleben und seine zahlreichen bänglichen Bedenklichkeiten. Ein Brunnen verschönerte den Platz mit seiner plätschernden Gegenwart. Aus vier dünnen Röhren sprang Wasser in ein achteckiges Becken. An einem Kettchen war ein Trinkbecherchen befestigt.
Während der Mann, der zweifellos auf das, was man eine Vergangenheit nennt, zurückzublicken vermochte, langsam weiterging, regnete es eine kurze Zeit lang, wonach wieder die Sonne anfing, heiter zu scheinen. Der Himmel wurde lichtblau, und weisse Wolken flogen über die Häuser in die Ferne. Die Häuserreihen zu beiden Seiten der Strasse hatten gleichsam etwas Boulevardhaftes, Pariserisches. Sie deuteten mit ihren Fassaden auf die Leichtigkeit hin, zu Geld zu kommen, in kurzer Zeit gute Geschäfte zu machen. Wer in einem dieser Häuser eine angemessene, vier- bis fünfzimmerige Wohnung innehatte, der liess sich's verhältnismässig wohl sein, ass artig und gediegen, nicht zu üppig, nicht zu kärglich, sondern so, wie sich's schickte. Schwalben zwitscherten um die Dächer. Dem auf und ab spazierenden Beschauer fielen einige Schaufenster auf, unter andern das eines Geschirrgeschäftes. Soeben trat jemand in den ungemein lebendig und anziehend aussehenden Laden hinein. Wenige Schritte weiter lag oder befand sich eine Papierwarenhandlung, deren Artikel einen ans Briefschreiben mahnte, das häufiger, als wünschenswert ist, verschoben oder ganz und gar vermieden wird. Hier kauften Schüler und Schülerinnen ihre Schreibhefte und Federn. Der Mann, der in der Welt allerlei erlebt haben mochte, trat erfrischungshalber in ein Restaurant, liess sich an einem Tisch nieder, bestellte, was er zu sich zu nehmen wünschte, sprach mit der hübschen Serviertochter, die fürs Herstellen einer Zeitschriftsillustration ein passendes Modell gewesen sein könnte, einige freundliche Worte und begab sich dann von neuem auf die Strasse hinaus. Zufällig in die Höhe schauend, gewahrte er den Kopf eines aus der und der Etage herabblickenden Mädchens, die sich vielleicht in diesem Augenblick nach irgend etwas sehnte, weil sie sich zeitweilig vereinsamt sah. Ein Herr, der sich bei jeder Bewegung wohlwollend auf der Schaukel seines Wesens wiegte, kam dem Wandernden, der durch die Strasse schlenderte, nett und nachlässig entgegen. Welch einen durchweg günstigen Eindruck musste nicht auf jeden Fall eine Erscheinung hervorrufen, die ein Mensch war, der es sichtlich zu etwas Leitendem, Einflussreichem gebracht hatte! Auf einem Balkon liess sich eine anscheinend von den Umständen, worin sie lebte, verwöhnte, schlanke, feine, vornehme Frau sehen, deren Gesicht einen Zug von Kummer aufwies. Es konnte sein, dass ihr Sohn, der in einer fernen Metropole lebte und hart, ich meine, andauernd mit sich und seinen Eigenwilligkeiten, die vielleicht zu stark ausgeprägt waren, rang, ihr Sorgen bereitete. Wer viel will, macht Beobachtungen an sich und seiner Umgebung, die belastend, hemmend den Flug schönen Strebens aufhalten. Der Mann lächelte gutmütig, als er ein flinkes Dienstmädchen mit einem bis zum Rand mit Eingekauftheiten gefüllten Marktkorb im Arm einhereilen sah.
Es schien, er komme von weit her, niemand kannte ihn.
Das gutgepflegte, glatte Trottoir anerkannte er.

(unveröffentlichte Manuskript, etwa 1932)

De Straat (II)

In gedachten liep er een man door de straat, voor de beschrijving waarvan ik me moeite zal getroosten. Zijn hoed zat laag zodat zijn gezicht maar voor de helft te voorschijn kwam. Hij zag, toen hij in de buurt van een plein kwam dat met bomen was versierd, een jonge elegante heer zitten op een van die banken die ervoor zijn geschapen om uit te rusten en je te bezinnen. Er waaide een beetje wind. Of ’t een oosten- of westenwind was, werd niet duidelijk. Uit het raam van een naburig kantoor klonk het hamerachtige geratel van een typemachine in functie. Wie was die bon-vivant op die bank onder de hier en daar met luchtige onverschilligheid zwiepende bladeren? Iemand die zijn goedbetaalde baan had verspeeld? Nu leek hij van plan ofwel kennis te maken met een geschikte vrouw ofwel, voor het geval dit niet viel te realiseren, een soort bekentenisroman te schrijven. Je kon aan hem zien dat hij een zekere ontwikkeling had, in zoverre intelligent was, dat hij waarschijnlijk slechts leed aan karakterslapte en gemis aan taaiheid en volharding. Musjes in het groen piepten op zo’n vogelig-onbezorgde wijze dat je geloofde dat zij zich vrolijk maakten over het menselijk leven en zijn talrijke bangelijke bedenkelijkheden. Een fontein verfraaide het plein met zijn klaterende aanwezigheid. Uit vier dunne buizen spoot water in een achthoekig bekken. Aan een kettinkje was een drinkbekertje bevestigd.
Terwijl de man, die ongetwijfeld kon terugblikken op iets wat je een verleden noemt, langzaam verder liep, regende het een korte tijd waarna de zon weer vrolijk begon te schijnen. De hemel werd lichtblauw en boven de huizen vlogen witte wolken de verte in. De huizenrijen aan beide zijden van de straat hadden als ’t ware iets boulevard-achtigs, zoals in Parijs. Ze wezen met hun gevels op het gemak om aan geld te komen, in korte tijd goede zaken te doen. Wie in een van deze huizen beschikte over een passende vier- of vijfkamerwoning, die liet ’t zich verhoudingsgewijs welgevallen, die at keurig en degelijk, niet te overdadig, niet te karig, maar zoals ’t hoorde. Zwaluwen kwetterden rond de daken. De op en neer wandelende toeschouwer vielen enkele etalages in het oog, onder andere die van een serviesgoedzaak. Zonet stapte iemand de ongewoon levendig en aantrekkelijk ogende winkel binnen. Een paar passen verder lag of bevond zich een papierwarenzaak met artikelen die je deden denken aan het schrijven van brieven, iets wat vaker dan wenselijk uitgesteld of geheel en al vermeden wordt. Hier kochten schooljongens en -meisjes hun schriften en pennen. De man die in zijn leven van alles beleefd kon hebben, stapte voor iets verfrissends een restaurant binnen, zette zich aan een tafel, bestelde wat hij wenste te nuttigen, sprak enkele vriendelijke woorden met de mooie serveerster die een geschikt model geweest kon zijn voor het produceren van een tijdschriftillustratie, en hij ging toen opnieuw naar buiten de straat op. Bij een toevallige blik omhoog ontwaarde hij het hoofd van een uit die-en-die verdieping naar beneden kijkend meisje dat op dit moment misschien naar ’t een of ander verlangde omdat ze zich een moment eenzaam voelde. Een heer die bij iedere beweging goedgemutst op de schommel van zijn eigen wezen wiegde, kwam de dolende, die door de straat slenterde, vriendelijk en nonchalant tegemoet. Wat voor een door en door gunstige indruk moest het ook wel niet maken als er iemand verscheen die het duidelijk tot iets leidinggevends, iets invloedrijks had gebracht! Op een balkon was een vermoedelijk door de omstandigheden waarin zij verkeerde verwende, slanke, chique, voorname vrouw te zien wier gezicht een teken van leed vertoonde. Het kon zijn dat haar zoon, die in een verre metropool woonde en zwaar, ik bedoel aanhoudend, worstelde met zichzelf en zijn misschien te sterk ontwikkelde eigenzinnigheden, haar zorgen baarde. Wie veel wil, merkt dingen op aan zichzelf en zijn omgeving die de vrije vlucht van schoon streven ernstig, hinderlijk belemmeren. De man glimlachte goedmoedig toen hij een bijdehand dienstmeisje met een tot de rand toe met inkopen gevulde marktmand aan haar arm voorbij zag snellen.
Het leek erop dat hij van verre kwam, niemand kende hem.
Het goed onderhouden, vlakke trottoir accepteerde hem.

vertaling m.b.