Die Frau auf dem Balkon

Schlanke, hochgewachsene, zartblättrige Bäume schienen sie mit ihrer Fächerartigkeit begütigen zu wollen, wenn sie, mit wellenhaften Wallungen kämpfend, auf ihrem Balkon sass, wo sie sich mit einer Kleiderwiederherstellungsarbeit beschäftigt sah, wobei sie, wie man zu sagen pflegt, Besinnungen zu sich herkommen liess, um sie ebenso freundlich und ruhig, wie sie sie willkommen hiess, in die Ferne ziehen zu lassen.
In der Gesellschaft war sie bekannt als die Lustige. Sie mag zeitweise, als Herr verkleidet, auf Abenteuer ausgegangen sein, wobei sie zahlreiche Frauenbekanntschaften gemacht zu haben schien, die in Unentschiedenheiten endeten, als schwämme ein bewimpeltes Schiff ins bläuliche Unendliche. Mit gehöriger Bestimmtheit liessen sich ihre wie Seide schimmernden Erlebnisse nie feststellen, und diejenigen, die aus der Lustigen klug zu werden versuchten, sahen sich in die Notwendigkeit gestellt, sich mit Vermutungen begnügen zu müssen.
Jetzt stand einer vor der so bequem wie möglich Sitzenden, die die Vor- oder Nachmittäglichkeit behaglich auf sich wirken liess, und wollte ihr, wie ehedem, vorstottern, dass er ohne sie nicht leben könne, dass er sie liebe.
"Das interessiert mich nicht", erwiderte sie ihm, als sei er ein total Fremder, mit dem sie in schicklichem Salonton zu sprechen habe.
Längst kannte sie ihn. Er hatte schon früher hie und da zur Lustigen gesagt: "Ich liebe sie", und jedesmal, wenn er sie so ansprach, hatte sie geantwortet, womit sie ihn auch heute zart abfertigte, den diese Behandlungsweise nicht hinderte, zu glauben, sie habe Sympathie für seine Bemühung übrig, sie zu einer Empfindung zu veranlassen. Sie schätzte aber die nichtswissenden und -bezweckenden Blätter mehr als seine Neigungen, für die sie sich nun einmal nicht interessierte. In ihrem komplizierten Wesen wohnten hundert liebenswürdige sich um sie Bewerbende, womit ich nichts anderes betonen will, als dass sie kein interessanteres Vergnügen kannte, als sich mit sichselbst zu beschäftigen. Alle ihre Lustigkeit stammte aus ihr selbst.
"Reisen glätten mich, und ich stehe entwickelter vor Ihnen als je", gab er zum besten. Sie entgegnete nichts als: "Das interessiert mich nicht."
"Prächtige Menschen lernte ich kennen", glaubte er beifügen zu dürfen.
Da Sie keineswegs zu wissen wünschte, wie sich diese prächtigen Menschen benommen, was sie gesagt, zu wem sie Beziehungen gehabt haben mochten, lehnte sie seinen Versuch, eine Anteilnahme in ihr zu wecken, mit der Erwiderung ab, die ich nicht zu wiederholen nötig habe, da der Leser sie bereits kennt, den ich bitte, sich die Frau auf dem Balkon als Schönheit vorzustellen.
Sie lächelte, und ihr Lächeln erschien ihr so lustig, dass sie's küsste. Die Blätterchen lächelten über die eigenartige Liebkosung. Muss das ein blätteliges Lächeln gewesen sein.

(juni 1928, in "Sport und Bild"; "Liebesgeschichten" 1978)

De vrouw op het balkon

Slanke, hoogoprijzende, teer gebladerde bomen leken haar met hun waaierachtige gebaren te willen kalmeren toen zij kampend met golven van opwinding op haar balkon zat, waar zij bezig was met verstelwerk van een kledingstuk, waarbij ze zich, zoals men pleegt te zeggen, overgaf aan overpeinzingen, om die net zo vriendelijk en rustig als zij ze welkom heette weer in het niets te laten verdwijnen.
In de hogere kringen stond zij bekend als die vrolijkerd. Ze zou bij tijd en wijle verkleed als man op avontuur zijn gegaan waarbij ze talrijke contacten met vrouwen scheen te hebben gelegd die in onduidelijke situaties eindigden alsof er in het vaag-blauwe oneindige een bewimpeld schip schemerde. Met echte zekerheid waren haar als zijde glanzende wederwaardigheden nooit vast te stellen, en degenen die probeerden uit deze vrolijkerd wijs te worden, zagen zich voor de noodzaak geplaatst met vermoedens genoegen te moeten nemen.
Nu stond er een man voor haar die daar zo comfortabel mogelijk zat om het ochtend- of middaguur behaaglijk op zich te laten inwerken, en die man stamelde tegen haar, net als weleer, dat hij zonder haar niet kon leven, dat hij haar liefhad.
"Dat interesseert me niet", gaf zij hem ten antwoord, alsof hij een volslagen vreemde voor haar was met wie zij op welvoeglijke salontoon diende te spreken.
Zij kende hem allang. Hij had vroeger al af en toe tegen de vrolijkerd gezegd: "Ik heb U lief", en iedere keer als hij haar zo aansprak, had zij hetzelfde geantwoord als waarmee zij hem ook vandaag weer beleefd afscheepte, een bejegening die hem er niet van weerhield te geloven dat zij toch sympathie voelde voor al zijn moeite om een emotie bij haar op te roepen. Zij waardeerde de van niets wetende en niets beogende bladeren echter meer dan zijn blijken van genegenheid, waarvoor zij zich nu eenmaal niet interesseerde. In haar gecompliceerde wezen huisden wel honderd beminnelijke zielen die naar haar hand dongen, waarmee ik niets anders wil benadrukken dan dat zij geen interessanter genoegen kende dan zich met zichzelf bezig te houden. Al haar vrolijkheid stamde uit haar zelf.
"Reizen hebben mij evenwichtig gemaakt, en ik sta volwassener voor U dan ooit", gaf hij ten beste. Zij bracht er niets anders tegenin dan: "Dat interesseert me niet."
"Fantastische mensen heb ik leren kennen", meende hij er aan toe te moeten voegen.
Omdat zij volstrekt niet wenste te weten hoe deze fantastische mensen zich gedragen hadden, wat zij gezegd, met wie zij betrekkingen gehad zouden hebben, weerde zij zijn poging belangstelling bij haar te wekken af met het antwoord dat ik niet behoef te herhalen aangezien het al bekend is bij de lezer, aan wie ik vraag zich deze vrouw op het balkon als schoonheid voor te stellen.
Zij glimlachte, en haar glimlach kwam haar zo vrolijk voor dat zij die kuste. De blaadjes glimlachten om deze merkwaardige liefkozing. Wat moet dat een bladerlijke glimlach geweest zijn.

vertaling machteld bokhove