Der Träumer

Es lag einer im Grase auf einem kleinen Abhang am Waldesrande. Vor ihm lag eine gemähte Wiese und hinter ihm standen ernste alte Tannen wie treue Schützer und Wächter. Vormittag war 's, und eine freundliche milde Sonne schaute aus weisslichem Gewölk warm auf den Faulpelz herab, der die trägen Glieder so lang als er konnte auf dem weichen Boden ausstreckte. Über seine Beine, seinen Rücken und sein Gesicht krochen Ameisen, und Mücken tanzten um ihn herum. Das plagte und ärgerte ihn aber nicht im geringsten. Er lag da, als beabsichtige er, den ganzen lieben langen Tag zu verfaulenzen, und in der Tat, er trug derlei Absichten. Die Welt sah so leicht aus, so bläulich, so sorgenlos. Höchstens glich ein feiner Dunst am Himmel einer Art von Kummer, aber der Kummer selber machte sich nicht gar viel Gedanken. Eine Beigabe von Ernst macht die Fröhlichkeit nur fröhlicher, und ein leiser Schmerz versüsst und verfeinert die Freude, macht sie nur noch freudiger. Unserem Burschen und Tagedieb zu Häupten hingen ein paar Tannenzapfen und ärmelartige Tannenzweige, und noch weiter oben, nämlich am Himmel, schwebten weisse heisse Wolken. Er träumte, der hier lag. Gab es keine Pflichten für den Lümmel? Ei was, Pflichten! Braucht doch nicht jeder Mensch Pflichten zu haben. Ein Bach, der zu des Träumers Füssen sich durch das Gras schlängelte, gab artige glucksende Melodien zum besten. Einmal schaute ein Fuchs aus dem gegenüberliegenden Waldrand heraus und floh, als der Mensch im Gras sich regte, in weiten Sätzen hinweg. Das ging so, bis es Nachmittag und Abend wurde, wo das Abendrot sich zeigte und die Singvögel anfingen wunderbar wehmütig und süss zu singen. Der Bursche lauschte. Es wollte ihn ein Bangen besuchen. Ein Weh wollte ihn beschleichen. Aber er war auf den Besuch gefasst, und da tat er, als merke er nichts davon. Der Abend mit seinen Tönen und Farben und Düften sank einer Frau in die Arme. Die Frau war die Nacht, und diese herrschte nun. Der Bursche blieb aber ganz ruhig liegen. Das Gras war weich. Es kam ihm wie ein Bett vor, eben recht zum Schlafen. Alles war finster geworden, und kein Sterbenslaut regte sich mehr. Stille, Stille. Nichts war mehr zu unterscheiden. O, da schlief der Waldmensch ein, und ungestörter hat nie ein junger oder alter Mensch geschlafen. Schlief fleissig die ganze Nacht durch, und als er erwachte, war es schöner, heller, gütiger, milder Morgen.

(März 1914 in "Deutsche Monatsheft"; "Kleine Dichtungen" 1914)

De dromer

Er lag iemand in het gras op een kleine helling aan de bosrand. Voor hem lag een gemaaide weide en achter hem stonden ernstige oude dennen als trouwe beschermers en bewakers. 't Was ochtend en een vriendelijke, milde zon keek vanuit wittige wolken warm op de luilak neer, die zijn trage ledematen zo lang als hij kon op de zachte grond uitstrekte. Over zijn benen, zijn rug en zijn gezicht kropen mieren, en er dansten muggen om hem heen. Maar dat kwelde en ergerde hem niet in het minst. Hij lag daar alsof hij van plan was de ganse lieve lange dag te verluieren, en inderdaad, hij had dergelijke plannen. De wereld zag er zo licht uit, zo blauwig, zo zorgeloos. Hoogstens leek een fijne nevel aan de hemel op een soort van leed, maar dat leed zelf maakte zich niet erg veel zorgen. Een toevoeging van ernst maakt de vrolijkheid alleen maar vrolijker, en een zachte droefheid verzoet en verfijnt het plezier, maakt het alleen nog maar plezieriger. Bij het hoofd van onze jongen en dagdief hingen een paar dennenappels en mouwachtige dennentakken, en nog verder daarboven, namelijk aan de hemel, zweefden witte verhitte wolken. Hij die hier lag, droomde. Bestonden er geen plichten voor die lummel? Ach wat, plichten! Niet ieder mens hoeft toch plichten te hebben. Een beek die aan de dromer zijn voeten door het gras slingerde gaf aardige, klokkende melodieën ten beste. Een keer kwam een vos tevoorschijn vanuit de tegenoverliggende bosrand om, toen de man in het gras zich bewoog, met grote sprongen weg te vluchten. Dat ging zo tot het middag en avond werd toen het avondrood zichtbaar werd en de zangvogels wonderbaarlijk weemoedig en lief begonnen te zingen. De jongen luisterde. Er wilde iets van angst bij hem op bezoek komen. Iets van verdriet wilde hem besluipen. Maar hij was op dat bezoek voorbereid, en dus deed hij alsof hij er niets van merkte. De avond met zijn klanken en kleuren en geuren zonk in de armen van een vrouw. Die vrouw was de nacht, en deze heerste nu. Maar de jongen bleef heel rustig liggen. Het gras was zacht. Het voelde voor hem als een bed, precies goed om in te slapen. Alles was duister geworden, en geen stervensgeluid roerde zich nog. Stilte, stilte. Er viel niets meer te onderscheiden. O, toen sliep die bosmens in, en ongestoorder heeft een jong of oud mens nooit geslapen. Hij sliep de hele nacht flink door, en toen hij ontwaakte was het mooi, licht, goedig, mild ochtend.

vertaling machteld bokhove
december 2017