Der Blumenstrauss

Oben auf der Bergweide, wo hölderlinsche Freiheit herrscht, habe ich einen Strauss von Blumen gesammelt, den ich, in die Tasche gesteckt, mit nach Hause trug. Das Gewicht war nicht gross. An Baumstämmen hätte ich mehr zu tragen und schleppen gehabt; und es ist mir nicht von fern eingefallen, die Blumen zu zählen. Kommt es doch bei Blumen nicht so sehr auf pünktliches Zählen an wie zum Beispiel bei Geld, das harter Notwendigkeit zufolge unentbehrlich ist, was vielen von uns leid genug sein muss. Blumen sind weder unentbehrlich noch wichtig und schwerwiegend. Sie spielen keine grosse Rolle; man vermag sehr gut ohne sie im Leben auszukommen. So schön sie sind, so ungestraft kann man sie vergessen oder mindestens hintanstellen. Viertel- oder halbjahrelang denkt man überhaupt nicht an die Guten und Lieben. Wenn man das oder ähnliches doch auch von Essen und Trinken und lästigem Geschäftemachen sagen könnte! Statt dessen sollen wohl die Rücken ewig gepeitscht und die furchtsamen Gemüter ohne Aufhören gejagt und gequält sein?
Ich habe dann die Blumen, die wunderbar zusammenpassen, in eine Chamermilchbüchse voll Wasser und auf den Tisch gestellt, und sitze nun wieder im Karzer oder Verlies, in der Zelle oder engen Einsiedelei, das heisst in der Stube oder in der Kiste und werfe hin und wieder liebende Blicke auf den Götterstrauss, der mich aufs lebhafteste an Wald und steile Wege, an den Ton von Ziegenglöckchen, an kühle Höhenlüfte, grüne Lustplätze und an alle mögliche Fröhlichkeit erinnert.
An Grösse und Ausdehnung nimmt es mein Strauss mit einem Kohlenbergwerk sicher nicht auf, und mit einer Massendemonstration verglichen muss er sich in seiner Lieblichkeit geradezu verschwindend klein ausnehmen. Flugmaschinen mögen wesentlich stattlicher, mithin imponierender sein wie diese Handvoll anmutiger Löckchen und Flöckchen, und neben Riesenkanonen gestellt, lacht man über die schüchternen Köpfchen einfach hell auf, die am dünnen Hälslein oder Stengel schwankend baumeln, derart, dass man sie mit grösster Leichtigkeit beim Schopf oder Kragen nehmen und ihnen den Garaus machen könnte, falls man Lust dazu hätte, was aber gegenüber so zierlichen Geschöpfchen doch wohl hoffentlich allzu barsch und grob wäre.
Was für hübsche, zarte, vielerlei friedliche Farben, und doch sind es kaum mehr wie fünf- oder sechserlei Verschiedenheiten, die nur aber eben rund herumlaufen und ungezwungen wiederkehren und auf solche Art eine wimmelnde Buntheit vorstellen. Ausgiebig sind vertreten Rotes, Weisses, Blaues, zweierlei Sorten Violett, ein seidenfeines Blasses und ein dunkles Ernsthaftes; ein abgesondertes, wunderliches, schelmisches Fleckchen Grün und überall hübsch zwischen hineingespielt und -gespickt: helles, frohes, appetitliches Gelb.
Gegensätze herrschen keine; alles hängt schön warm in- und aneinander. Was schreien und keifen möchte, ist ausgeschlossen. Unzufriedenes gibt es nicht; vielmehr ist jedes einzelne Wesen, indem es sich dicht ans andere lehnt, vollauf gesättigt und still vergnügt. Aus reizender Unordnung ergibt sich eine Ordnung, die weder steif noch hart, noch allzu elegant und glatt ist. Glätte und Fläche sind zur Rundlichkeit gebogen, dass es etwas Erdhaftes hat und nicht flach scheint. Mannigfaltige kleine Figuren leben in heiterer Angehörigkeit und bilden ein reiches, freies, gesundes Ganzes. Sie vertragen sich gut, da sie einander beleben und ergänzen. Unterordnung aus freien Stücken ist gut und natürlich. Keins ist dem andern im Weg, denn jedes hat seine artige Bestimmung, sein bescheidenes Plätzchen, wo es still ein- und ausatmet. Vernünftigerweise halten sie sich alle für keine Herrschaften, die grosse, breite, langfädige Ansprüche machen, sondern für Diener, die sich fürs allgemeine Beste untertänig fühlen; und so sieht denn das Ganze wie ein freundlicher Gedanke aus. Ein guter Gedanke ist immer gross, wie ein grosser nie anders als gut sein kann, und im Grunde gibt es weder einen bösen noch kleinen Gedanken, weil alles Böse, zankend Kleine, hadernd Nörglerische auf Gedankenabwesenheit beruht.
Um auf das Blumenbukett zurückzukommen: wie sieht es in seiner Gesamtheit und in all seinen Einzelheiten erquicklich aus! Hier hängt etwas herab, dort will etwas keck hervorragen; bald tritt dieses, bald jenes in Erscheinung, doch keines allzustark. Bald ist's ein Neues, bald ein Voriges und Altes. Jugendlich und gutwillig ist aber eigentlich jedes. Bald will es einem Tellerchen, bald einer Mütze, bald einem Stern ähneln. Bald ist es etwas Glöckchen-, bald etwas Struwwelpeterhaftes. Nie ist's ein und dasselbe, doch auch nie ganz und gar ungleich. Alles hat von allem irgendein gewisses seltsames Gemeinsames, und gerade dies scheint uns ja das Richtige bei der Sache zu sein.
Dass doch auch Menschen sich zu so friedfertiger, wohlwollender Gesellschaft und zu so klugem, liebevollem Vertrag verbunden wissen möchten!

("Neue Zürcher Zeitung", Juli 1918)

De bos bloemen

Boven op de bergweide, waar een hölderliniaanse vrijheid heerst, heb ik een bos bloemen geplukt die ik in mijn tas mee naar huis droeg. Het woog niet veel. Boomstammen hadden me meer sjouw- en sleepwerk bezorgd; en het is in de verste verte niet bij me opgekomen de bloemen te tellen. Maar bij bloemen is nauwkeurig tellen immers niet zo belangrijk als bijvoorbeeld bij geld, dat op grond van bittere noodzakelijkheid onontbeerlijk is, wat velen van ons vervelend genoeg zullen vinden. Bloemen zijn noch onontbeerlijk noch gewichtig en zwaarwegend. Ze spelen geen grote rol; je kan in het leven heel goed zonder. Zo mooi als ze zijn, zo ongestraft kun je ze vergeten of er op zijn minst geen aandacht aan schenken. Een kwart of een half jaar lang denk je helemaal niet aan die goeierds en dierbare. Als je zoiets, of iets vergelijkbaars, toch ook eens van eten en drinken en vervelend zakendoen zou kunnen zeggen! Moeten ruggen in plaats daarvan wel eeuwig gegeseld worden en bange zielen onophoudelijk opgejaagd en gekweld?
Ik heb de bloemen, die prachtig bij elkaar passen, toen in een melkblik vol water op tafel gezet, en zit nu weer in de strafkamer of kerker, in de cel of krappe kluizenaarswoning, dat wil zeggen op mijn kamer of in mijn koffer en werp af en toe een liefdevolle blik op het goddelijke boeket dat mij uiterst levendig aan bos en steile wegen, aan de klank van geitenbellen, aan koele bergluchten, groene lievelingsplekjes en aan alle mogelijke vrolijkheid herinnert.
Qua grootte en reikwijdte kan mijn boeket zeker niet op tegen een kolenmijn, en vergeleken bij een massademonstratie moet het in zijn liefelijkheid zonder meer in het niet vallen. Vliegtuigen kunnen met gemak aanzienlijk forser, derhalve imposanter zijn dan deze handvol bevallige lokjes en vlokjes, en geplaatst naast reusachtige kanonnen barst je in luid gelach uit over de schuchtere kopjes die wankel aan een dun halsje of stengel bungelen, zodat je ze met het grootste gemak bij de kuif of kraag zou kunnen pakken om ze van kant te maken, voor het geval je daar zin in zou hebben, wat echter tegenover zulke sierlijke schepseltjes hopelijk toch wel wat al te ruw en te grof zou zijn.
Wat een boel mooie, tere, vreedzame kleuren, en toch zijn er nauwelijks meer dan vijf of zes verschillende soorten, die alleen maar wat rond waaieren en speels weer terugkomen en op die manier een bonte mengelmoes vormen. Rijkelijk vertegenwoordigd zijn rood, wit, blauw, twee soorten violet, een zijdezacht vale en een ernstig donkere tint; een geïsoleerd, vreemd, guitig vlekje groen en overal mooi tussenin gestopt en gepropt: helder, vrolijk, aanlokkelijk geel.
Tegenstellingen zijn er niet; alles hangt mooi warm in en aan elkaar. Wat zou kunnen krijsen en kijven, is buitengesloten. Ontevredenheid is er niet; veeleer is ieder afzonderlijk wezen, door dicht tegen het andere aan te leunen, volledig verzadigd en stilletjes vergenoegd. Uit de charmante wanorde ontstaat een orde, die noch stijf noch streng, noch al te elegant en glad is. Wat glad en vlak is, is in allerlei rondingen gebogen zodat het iets aards heeft en niet vlak lijkt. Verschillende kleine figuurtjes leven in vrolijke saamhorigheid en vormen een rijk, ongedwongen, gezond geheel. Zij verdragen elkaar goed omdat zij elkaar opfleuren en aanvullen. Onderwerping uit eigen beweging is goed en natuurlijk. Niemand zit de ander in de weg, want ieder heeft zijn eigen gepaste bestemming, zijn eigen bescheiden plekje waar het stilletjes in- en uitademt. Verstandig genoeg houdt niemand van hen zich voor een machthebber die hoge, uitvoerige, langdradige eisen stelt, maar voor een dienaar die zich ondergeschikt voelt aan het algemeen welzijn; en zo ziet het geheel er dan uit als een vriendelijk idee. Een goed idee is altijd schitterend, zoals een schitterend idee nooit anders dan goed kan zijn, en welbeschouwd bestaan er noch slechte noch onbeduidende ideeën, omdat al het kwade, het schreeuwend onbeduidende, het twistzieke knorrige op een ontbreken aan ideeën berust.
Om op het bloemenboeket terug te komen: wat ziet het er in zijn totaal en in al zijn details verkwikkend uit! Hier hangt iets omlaag, daar probeert iets brutaal erbovenuit te steken; nu eens komt dit, dan weer dat te voorschijn, maar niets al te veel. Nu eens is 't een nieuwe, dan weer een vorige en oude. Maar jeugdig en welwillend zijn ze eigenlijk allemaal. Nu eens probeert er eentje op een schaaltje, dan weer op een muts, dan weer op een ster te lijken. Nu eens heeft het iets weg van een klokje, dan weer van Piet de smeerpoets. Nooit is 't één en hetzelfde, maar ook nooit geheel en al ongelijk. Alles heeft door alles op de een of andere manier iets vreemds gemeenschappelijks, en dit lijkt ons nou precies het goede eraan.
Als mensen toch ook eens zouden weten dat ze tot zo'n vredelievende, welwillende gemeenschap en tot zo'n verstandig, liefdevol verdrag met elkaar verbonden waren!

vertaling machteld bokhove