Das Zimmerstück

Ich kenne einen Schriftsteller, der, nachdem er sich durch Wochen hindurch vergeblich abgemüht hatte, einen geeigneten Stoff aufzutreiben, endlich auf den possierlichen Gedanken kam, eine Entdeckungsreise unter seine Bettstelle zu veranstalten.
Das Ergebnis des waghalsigen und gefährlichen Unternehmens war jedoch, wie jedermann ihm, der es bewerkstelligte, zum voraus hätte sagen können, gleich Null.
Enttäuscht und entmutigt musste der Unternehmungslustige vom Boden, auf der er sich niedergeworfen hatte, wieder aufstehen, wobei er lebhaft genug bedauerte, nicht den geringsten nennenswerten, interessanten Aufsatzstoff entdeckt zu haben.
"Was fange ich nun an und womit, um der tausend Gottes willen, verdiene ich mir in Zukunft mein armseliges, karges tägliches Brot?" fragte er sich voll Sorgen und Bangen.
Wie er nun so hin und her grübelte, um aus der Geistesfinsternis, die ihn von allen Seiten umfing, einen Ausweg zu finden, sah er plötzlich nah vor seiner Nase ein so seltsames, interesseeinflössendes Schauspiel, wie er es nicht von weitem zu hoffen gewagt haben würde, je in seinem Leben anzutreffen.
In der Wand, die grau, schwarz und schimmelig war, stak nämlich ein alter, rostiger Nagel, woran ein Regenschirm hing.
"Was muss ich sehen", rief der entzückte Schriftsteller froh und laut aus, "das ist ja unglaublich. Bei der Unsterblichkeit meiner Seele: Ich habe das gedankenvollste, schönste Thema gefunden."
Ohne sich nur einen Augenblick zu besinnen oder sich Zeit zu gönnen, bis er sich gehörig im Haar gekratzt hätte, was er doch, ehe er sich jeweilen an die Arbeit begab, so gerne zu tun pflegte, trat er zum Schreibtisch, setzte er sich nieder, ergriff er voll Eifer die Feder und schrieb er flink folgendes:
"Etwas Unerhörtes, etwas in seiner Art Herrliches habe ich gesehen.
Weit brauchte ich nicht zu laufen. Das Stück war ganz nah.
Gedankenvoll stand ich im Zimmer. Plötzlich sah ich an etwas Lebensüberdrüssigem etwas Lebensmüdes hängen.
Es war ein alter, müder, fast aus dem Loch schon, das ihn nicht mehr recht hielt, herabfallender Nagel, woran ein fast ebenso alter und abgenutzter Regenschirm hing.
Zu sehen, wie sich ein Altes und Kummervolles an ein anderes Altes und Kummervolles klammerte, zu sehen und zu beobachten, wie ein Hinfälliges am andern Hinfälligen hing, als wären es zwei Bettler, die sich in kalter, hoffnungsloser Einöde umarmen, um eng zusammengedrückt zugrunde zu gehen, jeden Augenblick bereit zu sterben.
Zu sehen, wie Schwaches in seiner Schwachheit anderes Schwaches noch stützte, bevor es selber völlig in die Kraftlosigkeit zusammenbrach, und wie das Erbärmliche in seiner bejammernswürdigen Erbärmlichkeit dem andern Erbärmlichen wenigstens noch so lange geringfügigen Halt bot, als bis es endlich selber gänzlich abgewirtschaftet haben würde: rührte und erschütterte mich tief, und ich habe nicht zögern mögen, es hier aufzuzeichnen."
Der Schriftsteller hielt inne. Die Hand war ihm während des Schreibens in der Kälte steif geworden; denn er besass nicht Geld genug, um das Zimmer heizen lassen zu können.
Draussen in den hauptstädtischen Strassen fegte ein eisiger Dezemberwind. Unser Schriftsteller schaute sein Geschriebenes lange mechanisch an, stützte den Kopf in die Hand und seufzte.

(September 1915 in"Schweizerland"; "Poetenleben" 1917)

Het kamerstuk

Ik ken een schrijver die, nadat hij zich weken achtereen tevergeefs had afgemat om een geschikt onderwerp op te sporen, uiteindelijk op het potsierlijke idee kwam om een ontdekkingsreis onder zijn ledikant op touw te zetten.
Het resultaat van deze waaghalzige en gevaarlijke onderneming was echter, zoals iedereen de uitvoerder daarvan van tevoren had kunnen vertellen, zo goed als nul.
Ontgoocheld en ontmoedigd moest deze ondernemingsgezinde weer van de vloer waarop hij zich languit had neergegooid opstaan, waarbij hij echt diep betreurde niet het geringste noemenswaardige, interessante opstelonderwerp te hebben ontdekt.
"Wat moet ik nu beginnen en waar moet ik, God nog aan toe, in de toekomst mijn armzalige, karige dagelijks brood mee verdienen?" vroeg hij zich vol zorgen en angsten af.
Terwijl hij nu zo tobbend heen en weer liep om een uitweg te vinden uit het geestelijk duister dat hem van alle kanten omsloot, zag hij plotseling vlak voor zijn neus zo'n vreemd, interessant ogend schouwspel waarvan hij in de verste verte niet zou hebben durven hopen het ooit in zijn leven aan te treffen.
In de muur, die grauw, zwart en schimmelig was, zat namelijk een oude, roestige spijker waaraan een paraplu hing.
"Wat zie ik nu", riep de verrukte schrijver blij en luid uit, "dat is toch ongelooflijk. Bij de onsterfelijkheid van mijn ziel: ik heb het diepzinnigste, mooiste thema gevonden."
Zonder zich ook maar een moment te bezinnen of zichzelf tijd te gunnen tot hij zich naar behoren in zijn haar had gekrabd, wat hij toch telkens voordat hij aan het werk ging zo graag placht te doen, stapte hij naar zijn schrijftafel, ging zitten, nam vol geestdrift zijn pen ter hand en schreef vlug het volgende:
"Ik heb iets ongehoords, iets op zijn manier schitterends gezien.
Ver hoefde ik niet te lopen. Het stuk was vlakbij.
Peinzend stond ik in mijn kamer. Plotseling zag ik aan een levensbeu ding een levensmoe ding hangen.
Het was een oude, vermoeide spijker, al bijna uit het gat gevallen dat hem niet goed meer hield, waaraan een bijna even oude en versleten paraplu hing.
Zien hoe iets ouds en zorgelijks zich aan iets anders ouds en zorgelijks vastklampte, zien en gadeslaan hoe iets aftands aan iets anders aftands hing alsof het twee bedelaars waren die elkaar in een koude, hopeloze woestenij omarmen om dicht tegen elkaar aangedrukt ten onder te gaan, elk ogenblik bereid om te sterven.
Zien hoe iets zwaks in zijn zwakheid iets anders zwaks nog overeind hield voordat het zelf in zijn krachteloosheid volledig ineenstortte, en hoe dat armzaligs in zijn beklagenswaardige armzaligheid dat andere armzaligs tenminste nog zo lang enige steun bood totdat het uiteindelijk zelf totaal vervallen was: het ontroerde en schokte mij diep, en ik heb niet willen aarzelen het hier te noteren."
De schrijver hield even op. Zijn hand was stijf geworden tijdens het schrijven in de kou; want hij bezat niet genoeg geld om zijn kamer te kunnen laten verwarmen.
Buiten raasde een ijzige decemberwind door de hoofdstedelijke straten. Onze schrijver zat lange tijd werktuiglijk naar het geschrevene te kijken, hij steunde zijn hoofd in zijn hand en zuchtte.

vertaling machteld bokhove