Das Pferd und die Frau

Dass ich zwei kleine Erinnerungen aus der Grossstadt doch nicht vergesse niederzuschreiben. Die eine betrifft einen Pferdekopf, die andere eine alte arme Streichholzverkäuferin. Um beide Dinge, um das Pferd sowohl wie um die Frau ist es Nacht. In einer Nacht, wie in so vielen anderen Nächten, die bereits verbummelt und in das Vergessen hinabgeschüttet waren, zog ich im eleganten, gleichwohl aber nur geliehenen Überzieher durch die Strasse, als ich an einer der belebtesten Stellen ein Pferd, das vor ein schweres Fuhrwerk gespannt war, erblickte. Das Pferd stand still da im undeutlichen Dunkel, und viele, viele Menschen eilten an dem schönen Tier vorüber, ohne ihm eine Spur von Aufmerksamkeit zu schenken. Auch ich eilte, ich hatte es sehr eilig. Ein Mensch, der bestrebt ist, sich amüsieren zu gehen, hat es stets furchtbar eilig. Doch betroffen durch den wunderbaren Anblick des weissen Pferdes in der schwarzen Nacht blieb ich stehen. Die langen Strähnen hingen dem Tier herab bis zu den grossen Augen, aus denen eine unnennbare Trauer schaute. Unbeweglich, als sei es eine weisse Geistererscheinung, aus dem Grab herausgestiegen, stand das Pferd da, mit einer Ergebenheit und Duldung, die an Majestät mahnte. Doch weiter riss es mich, denn ich wollte mich ja amüsieren. Auch in einer anderen Nacht war ich auf dem Sprung in das nichtswürdige Vergnügen. Allerlei Lokale hatte ich bereits durchstreift, da bog ich in eine finstere Strasse hinein, und da rief 's mich aus dem Dunkel an: “Streichhölzchen, mein junger Herr.“ Eine alte arme Frau hatte dermassen gerufen. Ich blieb stehen, denn ich war gerade voll herzlich guter Laune, griff in die Westentasche nach einem Geldstück und gab es der Frau, ohne ihr von ihrer Ware etwas abzunehmen. Wie sie mir da dankte und mir Glück in die dunkle Zukunft wünschte. Und wie sie mir ihre alte, kalte, magere Hand darreichte ! Ich ergriff die Hand und drückte sie, und froh über das kleine Erlebnis lief ich meinen Weg weiter.

(Januar 1914 in „März“, 1914 „Poetenleben“)

Het paard en de vrouw

Laat me nou niet vergeten twee kleine herinneringen uit de grote stad op te schrijven. De ene betreft een paardenhoofd, de andere een oude, arme luciferverkoopster. Bij beide dingen, bij het paard evenals bij de vrouw, is het nacht. Op een nacht, zoals op zoveel andere nachten die al verboemeld en in de vergetelheid weg gekieperd waren, zwierf ik in een elegante, maar desondanks slechts geleende jas over straat toen ik op één van de drukste punten een paard zag dat voor een zware kar was gespannen. Het paard stond daar stil in het vage donker, en vele, vele mensen liepen het mooie dier gehaast voorbij zonder een gram aandacht aan hem te schenken. Ook ik liep gehaast, ik had heel veel haast. Iemand die tracht zich te gaan amuseren, heeft steeds vreselijk veel haast. Maar getroffen door de schitterende aanblik van dat witte paard in de duistere nacht bleef ik stilstaan. De lange slierten haar hingen langs het dier neer tot aan zijn grote ogen waaruit een onnoemelijke treurigheid sprak. Onbeweeglijk, alsof het een witte spookverschijning was, opgerezen uit het graf, stond het paard daar met een gelatenheid en berusting die aan verhevenheid deed denken. Maar ik werd voortgedreven want ik wilde me immers amuseren. Ook op een andere nacht was ik druk in de weer met dat nietswaardige vermaak. Ik had al in allerlei kroegen rondgehangen, toen sloeg ik een obscure straat in en toen werd er vanuit het donker naar me geroepen: “Lucifers, jongeman.” Een oude, arme vrouw had dat geroepen. Ik bleef stilstaan want ik was net in een heel goed humeur, ik greep in mijn vestzakje naar een geldstuk en gaf het aan de vrouw zonder iets van haar waren aan te nemen. Zoals ze me toen bedankte en mij geluk wenste in mijn duistere toekomst. En zoals ze mij haar oude, koude, magere hand toestak! Ik pakte de hand vast en drukte die, en verheugd over deze kleine gebeurtenis vervolgde ik mijn weg.

vertaling machteld bokhove

gepubliceerd in het tijdschrift “Deus ex Machina”, januari 2015