Das Liebespaar

Sie und er gingen zusammen spazieren. Allerlei reizende Gedanken kamen ihnen in den Kopf, doch jedes behielt hübsch für sich, was es dachte. Der Tag war schön, wie ein Kind, das in der Wiege oder im Arm seiner Mutter liegt und lächelt. Die Welt war zusammengesetzt aus lauter Hellgrün und Hellblau und Hellgelb. Grün waren die Wiesen, blau war der Himmel, und gelb war das Kornfeld. Blau war wieder der Fluss, der sich in der Ferne, zu des wohligen Hügels Füssen, durch die lichte, süsse, warme Gegend schlängelte, welche, wie wir bereits angedeutet haben, einem Kinderlächeln an Schönheit und Lieblichkeit glich. Die beiden, die durch die Landschaft gingen, schwiegen. Er hatte ihr etwas zu sagen, und sie, sie fühlte es. Sie ging neben ihm her in der Erwartung dessen, was er ihr sagen sollte. Längst schon hatte er ihr sagen wollen, was er jetzt willens war zu sagen, und längst schon hatte sie gehofft, er werde ihr endlich einmal sagen, was ihm, wie sie sah, auf den Lippen schwebte. Eine Liebeserklärung, eine stotternde, lag ihm auf den Lippen, und sie sah das. Seine Augen und der Ton seiner Stimme hatten ihr längst gestanden, dass er sie liebe. Sie fühlte, dass sie reizend sei für ihn, und indem sie dies fühlte, umstrickte sie ihn immer noch mehr mit ihren Reizen, ohne es fast zu wollen. Gibst du einem Mädchen zu verstehen, dass sie schön sei, so ist sie dadurch um so viel schöner, als du Verständnis zeigst. Nie ist eine Frau so reizend als dann, wenn sie sieht, dass sie reizt. Also wurde denn die, die hier ging, nur immer reizender, je weniger sie mehr zu fürchten brauchte, es gebreche ihr an der Kunst und an der Kraft, ihn, der dicht neben ihr herging, zu fesseln. Sie betrachtete ihn im geheimen bereits als ihren Gefangenen, und sie fühlte, dass sie für ihn der Zaubergarten sei voll von verführerischen Düften, dass sie für ihn das Netz sei, in dessen Wunderfäden er sich verstrickt hatte. Sie war sein Meer, in dessen Fluten er ertrunken war - sie war das Gesetz, dem er gehorchte. Er legte jetzt, statt irgend etwas zu sagen, seinen Arm um ihren schlanken Leib, und damit war bereits alles getan, um die beiden in gleich hohem Mass oder Unmass zu beglücken. Damit war alles gesagt, was er ihr schon so lange hatte sagen wollen und hatte sagen sollen, und alles gestanden, was er Süsses um ihretwillen fühlte. Sie kamen nun in einen kleinen, aber wunderbaren Wald hinein, der ihnen wie ein Liebesort erschien. Es war so still, so grün, so dunkel im Wald wie in einer uralten Kirche. Der Waldboden glich einem grünen Teppich, einem grünen Bett. Kein Fürstensaal in alter und neuer Welt war je so schön wie dieser liebe grüne Wald, der sie wie mit weichen Märchenarmen umfing. Hier nun fing ein sanftes, überinniges und über-übersüsses Küssen an, als schnäbelten und liebkosten sich zwei Waldvögelchen in der Weltabgeschiedenheit, verloren und verborgen in Verborgenheiten und Verlorenheiten. Bisher Stümper in der Liebe, war er mit einmal ein Meister geworden. Er erdrückte und erstickte sein Mädchen nicht mit Küssen; er setzte nur Lippe an Lippe und beharrte so in einem langen, langen, himmlischen Brennen, die Hand ganz zart an ihr Haar gedrückt. Es war nichts mehr da als der Wald und der Kuss, als die Stämme im Wald und die beiden glücklichen Menschen, als die ununterbrochene Stille und der ununterbrochene süsse, herrliche Kuss.

(Januar 1914 in “Vossische Zeitung“; ‘Kleine Dichtungen‘ 1914)

Het liefdespaar

Zij en hij gingen samen wandelen. Allerlei aantrekkelijke gedachten kwamen er in hun hoofd op, maar steeds hield ieder netjes voor zichzelf wat er gedacht werd. De dag was mooi als een kind dat in de wieg of in de arm van zijn moeder ligt en glimlacht. De wereld was samengesteld uit louter helgroen en helblauw en helgeel. Groen waren de weiden, blauw was de hemel, en geel was het korenveld. Blauw was ook de rivier die in de verte aan de voet van de weldadige heuvel door het lichte, aangename, warme gebied slingerde dat, zoals we reeds hebben aangegeven, in schoonheid en lieflijkheid op de glimlach van een kind leek. De twee die door het landschap liepen, zwegen. Hij had haar iets te zeggen, en zij, zij voelde dat. Zij liep naast hem voort in afwachting van wat hij haar zou zeggen. Allang had hij haar willen zeggen wat hij nu van plan was te zeggen, en allang had zij gehoopt dat hij haar eindelijk eens zou zeggen wat hem zoals ze zag op de lippen zweefde. Een liefdesverklaring, een stotterende, lag op zijn lippen, en zij zag dat. Zijn ogen en de klank van zijn stem hadden haar allang bekend dat hij haar liefhad. Zij voelde dat ze aantrekkelijk voor hem was, en door dit te voelen omstrikte zij hem alleen nog maar meer met haar aantrekkelijkheid, bijna zonder het te willen. Geef je een meisje te verstaan dat ze mooi is, dan is ze daardoor nog des te mooier, omdat je gevoel toont. Nooit is een vrouw zo aantrekkelijk dan wanneer ze ziet dat ze iemand aantrekt. Zo werd dus degene die hier liep steeds maar aantrekkelijker naarmate zij minder hoefde te vrezen dat het haar ontbrak aan de kunst en aan de kracht om degene die vlak naast haar voortliep te boeien. Ze beschouwde hem in het geheim al als haar gevangene, en ze voelde dat ze voor hem die tovertuin was vol verleidelijke geuren, dat ze voor hem dat net met wonderlijke draden was waarin hij verstrikt zat. Ze was zijn zee met stromingen waarin hij verdronken was - ze was de wet die hij gehoorzaamde. Hij legde nu in plaats van ook maar iets te zeggen zijn arm om haar slanke lichaam, en daarmee was alles al gedaan om het tweetal in even hoge mate of overmaat gelukkig te maken. Daarmee was alles gezegd wat hij haar al zo lang had willen zeggen en had moeten zeggen, en was alles bekend wat hij aan liefs voor haar voelde. Ze kwamen nu in een klein maar prachtig bos dat hun een liefdesoord toescheen. Het was zo stil, zo groen, zo donker in het bos als in een oeroude kerk. De bosgrond leek een groen tapijt, een groen bed. Geen enkele vorstenzaal in de oude en nieuwe wereld was ooit zo mooi als dit lieve groene bos dat hen als het ware met tedere sprookjesarmen omhelsde. Hier nu begon een zacht, zeer innig en zeer-zeer lieflijk gekus, alsof twee bosvogeltjes elkaar besnavelden en liefkoosden in afzondering van de wereld, verloren en verborgen in verborgenheden en verlorenheden. Tot dusver stumper in de liefde, was hij daar ineens een meester in geworden. Hij verplette en verstikte zijn meisje niet met kussen; hij zette slechts lip op lip en hield zo een lang, lang hemels branden in stand terwijl zijn hand heel teder op haar haren drukte. Er was niets meer dan het bos en de kus, dan de stammen in het bos en de twee gelukkige mensen, niets meer dan de ononderbroken stilte en de ononderbroken lieflijke, heerlijke kus.

vertaling machteld bokhove