Das Kätzchen (I)

Ich kam nur eben vom Berg herab in eine kleine, nette, altertümliche Vorstadt hinein. Ein Haus stand da, das war so zart, als blinzle es mit seinen Augen, will sagen, mit seinen Fenstern. Eine alte Frau stand an der Strasse und streckte ihren Kopf in eines der Fenster, sie führte wohl ein gehäkeltes Gespräch mit einer Nachbarin. Aber die Hauptsache ist: ich sah vor dem Haus eine Katze, nein, keine Katze, sondern ein junges Kätzchen, gelb und schneeweiss von Farbe. Durchs Fenster, welches geschlossen war, sah ich eine gute alte Frau an der Nähmaschine sitzen und fleissig nähen. Ganz entzückt von dem lieben kleinen Kätzchen blieb ich stehen, um das Tier sorgfältig zu betrachten, welches da ganz still sass, den Schwanz zwischen die Vorderpfoten geringelt. Die Frau sah, dass da ein fremder Mann so still stand, sie trat ans andere Fenster, das offen war, und schaute zu mir heraus mit freundlichen Augen. "Ach so", sagte sie, "Sie schauen sich wohl die Katze an." "Ja", sagte ich. Das Kätzchen schaute zu der Frau hinauf und liess ein kleines, feines, süsses Miauen vernehmen, wobei es die Zähnchen zeigte. Ich grüsste die Frau und ging weiter. Noch aber bog ich mich einmal zurück und sah, wie das Kätzchen nach einem dürren Blatt haschte. Wie der Wind wirbelte das liebe muntere Tier herum. Wirklich wehte auch gerade der Seewind. Ich kam durch die Stadt, die nur eine einzige, dafür aber breite Strasse besitzt. Nun, und da kugelten zwei Jungen am Boden, zwei drollige Jungen, noch nicht einmal für die Schule reif. Was vermag ich noch beizufügen? Nicht sonderlich viel. Ein grosses altersgraues Schloss war da, und daneben floss ein Strom. Ich ging heim, und während ich so heimwärts ging, hatte ich immer noch in Gedanken mit dem gelben und weissen Kätzchen zu tun. Wie man doch nur achten mag auf so kleinliche Dinge.

(Januar 1914 in "März")

Het poesje (I)

Ik kwam nog maar net de berg af of ik belandde in een kleine, aardige, oude voorstad. Daar stond een huis, het was zo schattig, alsof het met zijn ogen knipperde, dat wil zeggen met zijn vensters. Een oude vrouw stond langs de straat, en stak haar hoofd door één van de vensters, zij voerde vast een plagerig gesprek met een buurvrouw. Maar de hoofdzaak is: ik zag voor het huis een poes, nee, geen poes, maar een jong poesje, geel en sneeuwwit van kleur. Door het venster dat gesloten was, zag ik een aardige oude vrouw aan de naaimachine zitten en vlijtig naaien. Helemaal verrukt van het lieve kleine poesje bleef ik staan om het dier dat daar heel stil zat, de staart tussen de voorpoten gekruld, zorgvuldig te bekijken. De vrouw zag dat er een vreemde man zomaar stilstond, zij kwam naar het andere venster dat open stond, en keek mij buiten met vriendelijke ogen aan. "Oh, ik zie het al", zei ze, "U kijkt zeker naar de poes". "Ja", zei ik. Het poesje keek naar de vrouw omhoog en liet een licht, leuk, lief gemiauw horen waarbij het zijn tandjes toonde. Ik groette de vrouw en liep verder. Maar ik draaide me nog een keer om en zag hoe het poesje naar een dor blad graaide. Als de wind wervelde het lieve vrolijke dier in de rondte. In werkelijkheid kwam er ook juist een windvlaag van het meer. Ik kwam door de stad die maar één enkele, maar dan ook brede straat bezit. Tja, en daar rolden twee jochies over de grond, twee grappige jochies, nog niet eens rijp voor school. Wat kan ik er nog aan toevoegen? Niet erg veel meer. Er lag daar een groot, oud, grauw paleis, en daarlangs stroomde een rivier. Ik ging naar huis, en terwijl ik zo huiswaarts liep, was ik nog steeds in gedachten met het gele en witte poesje bezig. Hoe je soms toch alleen maar op van die kleine dingen let.

vertaling machteld bokhove