Das Ende der Welt

Ein Kind, das weder Vater und Mutter, noch Bruder und Schwester hatte, niemanden angehörte und nirgends zu Hause war, kam auf den Einfall, fortzulaufen, bis es an das Ende der Welt käme. Mitzunehmen brauchte es nicht viel, einzupacken auch nicht, denn es besass keinerlei Habseligkeiten. Wie es stand, ging es fort, die Sonne schien, aber das arme Kind achtete nicht auf den Sonnenschein. Fort und fort lief es, an vielen Erscheinungen vorbei, aber es achtete auf keine Erscheinungen. Fort und fort lief es, an vielen Leuten vorbei, aber es achtete auf keinen Menschen. Fort und fort lief es, bis es Nacht wurde, aber das Kind achtete nicht auf die Nacht. Es kümmerte sich um den Tag nicht, und um die Nacht nicht, um die Gegenstände nicht und um die Leute nicht, um die Sonne nicht und um den Mond nicht und ebenso wenig um die Sterne. Weiter und weiter lief es, hatte nicht Angst und nicht Hunger, hatte immer nur den einen Einfall, die eine Idee, nämlich die Idee, das Ende der Welt zu suchen und so lange zu laufen, bis es dasselbe gefunden haben würde. Es würde es am Ende schon finden, dachte es. "Ganz hinten, ganz zu hinterst ist es", dachte es. "Ganz zuletzt ist es", dachte es. Hatte wohl das Kind mit seiner Meinung recht? Wartet nur ein wenig. War das Kind von Sinnen? Ei, so wartet doch nur ein wenig, es wird sich schon zeigen. Fort und fort lief das Kind, es dachte sich das Ende der Welt zuerst als eine hohe Mauer, dann als einen tiefen Abgrund, dann als eine schöne grüne Wiese, dann als einen See, dann als ein Tuch mit Tüpfelchen, dann als einen dicken breiten Brei, dann als blosse reine Luft, dann als eine weisse saubere Ebene, dann als Wonnemeer, worin es immerfort schaukeln könne, dann als einen bräunlichen Weg, dann als gar nichts oder als was es leider Gottes selber nicht recht wusste.
Fort und fort lief es. Unerreichbar schien das Ende der Welt zu sein. Sechzehn Jahre lang irrte das Kind herum, über Meere, Ebenen und Berge. Gross und stark war es inzwischen schon geworden, und immer noch hing es treu an dem Einfall, so lange zu laufen, bis es ans Ende der Welt käme, aber immer noch war es nicht ans Ende der Welt gekommen, schien vom Weltenende noch immer weit weg zu sein. "Ist das aber unabsehbar!" meinte es. Da fragte es einen Bauer, der am Weg stand, ob er wisse, wo das Ende der Welt liege. "Ende der Welt" hiess ein Bauernhaus in der Nähe, und daher sagte der Bauer: "Noch eine halbe Stunde weit liegt es". Das liess sich das Kind gesagt sein, dankte dem Manne für die gute Auskunft und ging weiter. Als ihm aber die halbe Stunde schier ewig lang wurde, fragte es einen Burschen, der des Weges daherkam, wie weit es noch bis zum Ende der Welt sei. "Noch zehn Minuten", sagte der Bursche. Das Kind dankte ihm für die gute Auskunft und ging weiter. Fast am Ende seiner Kräfte war es angelangt, und nur noch mühsam bewegte es sich vorwärts.
Endlich erblickte is mitten in einer behaglichen fetten Wiese ein schönes grosses Bauernhaus, eine wahre Pracht von einem Haus, so warm, ungezwungen und freundlich, so stolz, hübsch und ehrbar. Rund herum standen prächtige Obstbäume, Hühner spazierten ums Haus herum, ein leiser Wind wehte durch das Korn, der Garten war voll Gemüse, am Abhang stand ein Bienenhäuschen, das ordentlich nach Honig schmeckte, ein Stall voll Kühe war wohl auch vorhanden, und alle Bäume waren voll Kirschen, Birnen, Äpfel, und das Ganze sah so wohlhabend, fein und frei aus, dass das Kind sogleich dachte, das müsse das Ende der Welt sein. Gross war seine Freude. Im Hause wurde scheinbar gerade gekocht, denn ein zarter, artiger Rauch räuchelte und lächelte zum Kamin heraus, und stahl sich wie ein Schelm fort. Matt und bänglich vor Erschöpfung fragte das Kind: "Bin ich hier am Ende der Welt?" Die Bauersfrau sagte: "Ja, gutes Kind, das bist du".
"Ich danke Euch für die freundliche Auskunft", sagte es und fiel vor Müdigkeit um; potz Blitz! Aber es wurde rasch aufgehoben und von guter Menschenhand in ein Bett gelegt. Als es wieder zu sich kam, lag es zu seinem Erstaunen im allernettesten Bettchen und wohnte bei lieben guten Menschen. "Darf ich hier bleiben? Ich will tüchtig dienen", fragte es. Die Leute sagten ihm: "Weshalb solltest du das nicht dürfen? Wir haben dich gerne. Bleib nur hier bei uns, und diene tüchtig. Wir können eine schaffige Magd wohl brauchen, und wenn du brav bist, so wollen wir dich halten wie unsere Tochter." Dass liess sich das Kind nicht zweimal sagen. Es fing an fleissig zu werken und wacker zu dienen, und bald hatten es darum alle gern, und das Kind lief nun nicht mehr fort, denn es war wie zu Hause.

(1917 im Bande "Kleine Prosa")

Het einde van de wereld

Een kind dat noch vader en moeder, noch broer en zus had, dat bij niemand hoorde en nergens thuis was, kwam op de gedachte om weg te lopen tot aan het einde van de wereld. Het hoefde niet veel mee te nemen, iets inpakken hoefde ook niet want het bezat helemaal geen spullen. Zoals het daar stond, zo ging het weg, de zon scheen maar het arme kind lette niet op de zonneschijn. Het liep verder en verder weg, langs allerlei verschijnselen, maar het lette niet op verschijnselen. Het liep verder en verder weg, langs allerlei mensen, maar het lette niet op mensen. Het liep verder en verder weg, tot het nacht werd, maar het kind lette niet op de nacht. Het bekommerde zich niet om de dag, en niet om de nacht, niet om de dingen en niet om de mensen, niet om de zon en niet om de maan en net zomin om de sterren. Het liep verder en verder door, het was niet bang en had geen honger, het had steeds maar die ene gedachte, dat ene idee, het idee namelijk om het einde van de wereld te zoeken en net zolang te lopen totdat het dat had gevonden. Het zou het uiteindelijk wel vinden, dacht het. "Het is helemaal achteraan, helemaal 't meest achteraan", dacht het. "Het is helemaal op 't laatst", dacht het. Had het kind misschien gelijk met zijn mening? Wacht maar even. Was het kind wel goed wijs? Ach, wacht nou toch nog even, het zal wel blijken. Het kind liep verder en verder weg, het stelde zich het einde van de wereld eerst voor als een hoge muur, toen als een diepe afgrond, toen als een mooie groene weide, toen als een meer, toen als een doek met stippeltjes, toen als een dikke platte brei, toen als louter zuivere lucht, toen als een witte, schone vlakte, toen als een goddelijke zee waarin het voor altijd zou kunnen ronddobberen, toen als een bruinige weg, toen als helemaal niks of als iets dat het jammer genoeg zelf niet goed wist.
Het liep verder en verder weg. Het einde van de wereld leek onbereikbaar. Zestien jaar lang dwaalde het kind rond, over zeeën, vlakten en bergen. Het was intussen al groot en sterk geworden, en nog steeds bleef het trouw aan de gedachte om net zo lang te lopen totdat het aan het einde van de wereld kwam, maar het was nog steeds niet aan het einde van de wereld gekomen, het leek nog steeds ver van het wereldeinde weg te zijn. "Het komt maar niet in zicht!" dacht het. Toen vroeg het aan een boer die langs de weg stond of hij wist waar het einde van de wereld lag. Een boerenhoeve in de buurt heette "Einde van de wereld", en daarom zei de boer: "Het ligt nog een half uurtje lopen hier vandaan". Dat hoorde het kind maar wat graag, het bedankte de man voor zijn goede antwoord en het ging verder. Maar toen het halve uur haast eeuwig lang werd, vroeg het aan een jongen die aan kwam lopen hoe ver het nog was naar het einde van de wereld. "Nog tien minuten", zei de jongen. Het kind bedankte hem voor zijn goede antwoord en het ging verder. Het was bijna aan het eind van zijn krachten, en het bewoog zich nog maar moeizaam voort.
Eindelijk ontwaarde het midden in een aangename malse weide een mooie, grote boerenhoeve, echt een pracht van een hoeve, zo warm, ongedwongen en vriendelijk, zo trots, mooi en eervol zag het eruit. Er stonden prachtige fruitbomen omheen, er wandelden kippen om het huis, er woei een zachte wind door het koren, de tuin stond vol groente, tegen de helling stond een bijenhuisje dat netjes naar honing rook, er was ook nog een stal vol koeien, en alle bomen zaten vol kersen, peren, appels, en het geheel zag er zo welvarend, prettig en vrij uit dat het kind meteen dacht dat dit het einde van de wereld moest zijn. Zijn vreugde was groot. In het huis werd blijkbaar net gekookt want er zwiebelde en giebelde zachte, lieve rook uit de schoorsteen en die sloop weg als een deugniet. Mat en angstig van uitputting vroeg het kind: "Ben ik hier aan het einde van de wereld?" De boerin zei: "Ja, beste kind, daar ben je".
"Ik dank u voor uw vriendelijke antwoord", zei het en het viel om van vermoeidheid; wat nu! Maar het werd snel opgetild en door goede mensenhanden in een bed gelegd. Toen het weer bijkwam, lag het kind tot zijn verbazing in het allerleukste bedje en het woonde bij lieve goede mensen. "Mag ik hier blijven? Ik zal flink helpen", vroeg het. Die mensen zeiden hem: "Waarom zou je dat niet mogen? We vinden je aardig. Blijf maar hier bij ons, en help ons flink. We kunnen een vlijtige meid wel gebruiken en als je braaf bent, dan zullen we je bij ons houden als onze eigen dochter". Dat liet het kind zich geen tweemaal zeggen. Het begon ijverig te werken en dapper te helpen en al gauw vonden ze het daarom allemaal aardig, en het kind liep nu niet meer weg want het voelde zich thuis.

vertaling m. b.
december 2017

 

(als je aan de noordwestkant van Biel het Juragebergte ingaat, d.w.z. met de kabelbaan/funiculaire omhoog richting Magglingen/Macolin, en dan nog zo'n 20 minuten over bergweiden tussen fruitbomen en koeien met bellen doorwandelt, dan kom je bij een uitspanning, genaamd "Ende der Welt", die al bestond in Walsers tijd; helaas zijn daarnaast inmiddels wat sportvelden aangelegd.)