Das Bäumchen

Ich sehe es, auch wenn ich unachtsam an ihm vorübergehe. Es flieht nicht, steht ganz still, kann nicht denken, nicht irgend etwas wollen, nein, nur wachsen, im Raum sein und Blätter haben, die niemand anrührt, die man nur anschaut. Am Schatten, den sie geben, eilen die Beschäftigten vorbei.
Gab ich dir noch nie etwas? Aber es braucht kein Glück. Vielleicht freut es sich, wenn man es schön findet. Glaubt ihr das? Was für heilige Unschuldigkeiten aus ihm sprechen. Von nichts weiss es, ist ganz nur mir zur Lust da.
Warum kann es keinen Sinn für mein Lieben haben, dass man etwas zum Guten sagt, aber ihm ist kein Vernehmen gegeben. Nie sieht's mich ob seinem Grusse lächeln, den es nicht kennt. Zu seines Wesens Füssen wie jener von Courbet gemalte für immer Scheidende sterben!
Doch ich werde weiterleben, aber was wird denn aus dir?

(Oktober 1925 in “Prager Presse“)

Het boompje

Ik zie het, ook als ik er gedachteloos voorbijloop. Het slaat niet op de vlucht, het staat helemaal stil, het kan niet denken, niet ‘t een of ander willen, nee, het kan slechts groeien, in de ruimte staan en bladeren hebben die niemand aanraakt, die je alleen maar bekijkt. In de schaduw die zij geven snellen werknemers voorbij.
Heb ik je nog nooit iets gegeven? Maar het heeft geen geluk nodig. Misschien is het blij als je het mooi vindt. Geloven jullie dat? Wat een heilige onschuldigheden straalt het uit. Het weet van niets, het is er helemaal alleen voor mijn plezier.
Waarom kan het geen gevoel hebben voor mijn liefde als ik iets ten goede zeg, maar hem is het horen niet gegeven. Nooit ziet ’t mij om zijn groet glimlachen, iets wat het niet kent. Te sterven aan de voeten van zijn verschijning als die door Courbet geschilderde voor altijd heengaande!
Toch zal ik verder leven, maar wat zal er dan van jou worden?

vertaling machteld bokhove