Armut

Arm ist man, wenn man mit zerrissener Jacke in die Schule kommt. Wer wollte dem widersprechen? Wir haben in unserer Klasse mehrere arme Knaben. Sie tragen zerfetzte Kleider, frieren an ihren Händen, haben unschöne, schmutzige Gesichter und unsaubere Manieren. Der Lehrer behandelt sie rauher als uns, und er hat recht. Ein Lehrer weiss, was er tut. Ich möchte nicht arm sein, ich würde mich totschämen. Warum ist Armut eine solche Schande? Ich weiss es nicht. Meine Eltern sind wohlhabend. Papa hat Wagen und Pferde. Wenn er arm wäre, könnte er das nicht haben. Ich sehe oft auf der Strasse arme zerlumpte Frauen, und sie dauern mich. Arme Männer rufen dagegen eine gewisse Entrüstung in mir wach. Armut und Schmutz steht den Männern schlecht und ich habe kein Mitleid mit einem armen Manne. Für arme Frauen habe ich eine Art Vorliebe. Sie können so schön um eine Gabe bitten. Die Männer, die betteln, sind hässlich und verlegen und deshalb verabscheuungswürdig. Es gibt nichts Hässlicheres als Betteln. Jede Art Bettelei zeugt von einem unsoliden unstolzen, ja sogar unredlichen Charakter. Ich möchte lieber auf der Stelle sterben, als den Mund zu einer ungeziemenden Bitte auftun. Es gibt ein Bitten, das über alles schön und stolz ist: jemand, den man liebt und den man gekränkt hat, um Verzeihung bitten. Zum Beispiel: die Mutter. Seinen Fehler eingestehen und ihn durch eine demütige Haltung gutmachen, ist nichts weniger als verächtlich, sondern notwendig. Um Brot oder Hilfe betteln ist schlecht. Warum muss es arme Leute geben, die nichts zu essen haben? Ich finde, es ist eines Menschen unwürdig, seinen Mitmenschen um Nahrung oder Kleidung anzugehen. Notleiden müssen ist ebenso schrecklich wie verächtlich. Der Lehrer lächelt über meine Aufsätze, und wenn er dieses lesen wird, wird er doppelt lächeln. Was tut das! Arm sein? Heisst das, kein Vermögen haben? Ja, und Vermögen ist notwendig zum Leben, wie atmen zum Springen. Wer ausser Atem kommt, fällt auf der Strasse um und man muss ihm beispringen. Möge man mir nur nie beispringen müssen! Die Armut habe ein Gutes, habe ich in Büchern gelesen, sie mache den Sinn der Reichen mildtätig. Aber ich sage, da ich doch auch meine eigene Stimme habe: sie macht ihn nur hart und grausam. Denn das Bewusstsein in den Herzen der reichen Leute, andere Menschen leiden zu sehen und es in seiner Macht wissen, ihre Lage verbessern zu können, macht sie hochmütig. Mein Vater ist mild und herzlich, gerecht und heiter, aber gegen arme Leute ist er hart und barsch, und alles, nur nicht milde. Er schreit sie an, und man merkt es, sie ärgern und belästigen ihn. Er spricht mit Ekel und mit einer Beimischung von Hass von ihnen. Nein, Armut hat nichts Gutes zum Gefolge. Armut macht die meisten Menschen trüb und unfreundlich. Ich liebe die armen Knaben in unserer Klasse deshalb nicht, weil ich fühle, dass sie mit Neid meine hübsche Kleidung betrachten und mit Schadenlust meine Misserfolge in der Stunde. Sie können nie meine Freunde werden. Ich fühle nichts für sie, weil ich sie bedaure. Ich achte sie nicht, weil sie mich ohne Ursache feindlich ansehen. Und haben sie Ursache - - ja, da ist leider die Stunde schon aus.

(März 1902 in "Sonntagsblatt des Bund" (Bern); "Friz Kochers Aufsätze" 1904)

Armoede

Arm ben je wanneer je met een gescheurde jas op school komt. Wie zou dat tegenspreken? Wij hebben in onze klas verschillende arme jongens. Ze dragen versleten kleren, hun handen zijn ijskoud, ze hebben nare, vuile gezichten en onfatsoenlijke manieren. De meester behandelt hen ruwer dan ons, en hij heeft gelijk. Een meester weet wat hij doet. Ik zou niet graag arm willen zijn, ik zou me doodschamen. Waarom is armoede zo'n schande? Ik weet het niet. Mijn ouders zijn welgesteld. Papa heeft een rijtuig met paarden. Als hij arm was, zou hij die niet kunnen hebben. Ik zie vaak op straat arme, in vodden geklede vrouwen, en ik heb met ze te doen. Arme mannen daarentegen wekken een zekere verontwaardiging in me op. Armoede en vuil staat mannen slecht en ik heb geen medelijden met een arme man. Voor arme vrouwen heb ik een soort voorliefde. Ze kunnen zo mooi om een aalmoes vragen. Mannen die bedelen zijn lelijk en verlegen en daarom afschuwelijk. Er bestaat niets lelijkers dan bedelen. Iedere vorm van bedelarij getuigt van een onbehoorlijk, oneerbiedig, ja zelfs oneerlijk karakter. Ik zou liever ter plekke sterven dan mijn mond opendoen voor een onbetamelijke vraag. Er bestaat een soort van vragen die onovertroffen mooi en waardig is: iemand van wie je houdt en die je gekwetst hebt om vergiffenis vragen. Bijvoorbeeld: je moeder. Je fout toegeven en hem door een deemoedige houding goedmaken is allesbehalve verachtelijk, maar juist noodzakelijk. Om brood of hulp bedelen is slecht. Waarom moeten er arme mensen bestaan die niets te eten hebben? Ik vind dat het een mens onwaardig is zijn medemens om voedsel of kleding te verzoeken. Gebrek moeten lijden is even verschrikkelijk als verachtelijk. De meester glimlacht om mijn opstellen, en wanneer hij dit leest zal hij wel dubbel glimlachen. Maar wat geeft dat! Arm zijn? Wil dat zeggen, geen vermogen hebben? Ja, en vermogen is noodzakelijk voor het leven net zoals ademen voor het rennen. Wie buiten adem raakt, valt op straat omver en je moet hem bijspringen. Als ze mij maar nooit hoeven bij te springen! Armoede heeft iets goeds, heb ik in boeken gelezen, ze maakt het gemoed van de rijken milddadig. Maar ik zeg, aangezien ik toch ook mijn eigen stem heb: ze maakt hun gemoed alleen maar hard en wreed. Want het besef in de harten van rijkelui andere mensen te zien lijden en te weten dat het in je macht ligt hun situatie te kunnen verbeteren, maakt hen hoogmoedig. Mijn vader is mild en hartelijk, rechtvaardig en opgewekt, maar tegen arme mensen is hij hard en bars, en allesbehalve mild. Hij schreeuwt tegen ze, en je merkt het, ze ergeren en hinderen hem. Hij praat met afschuw en een tikkeltje haat over hen. Nee, armoede heeft niets goeds tot gevolg. Armoede maakt de meeste mensen somber en onaardig. Ik houd niet van die arme jongens in onze klas omdat ik voel dat ze mijn mooie kleren met afgunst aanzien en mijn mislukkingen in het lesuur met leedvermaak. Ze kunnen nooit mijn vrienden worden. Ik voel niets voor hen omdat ik met hen te doen heb. Ik respecteer hen niet omdat ze mij zonder reden vijandig aankijken. En hebben ze reden - - ja, nu is het lesuur helaas al voorbij.

vertaling machteld bokhove
december 2017