Geschwister Tanner

Der hinreißende Glanz in den dunklen hauptstädtischen Straßen, die Lichter, die Menschen, der Bruder. Ich in der Wohnung meines Bruders. Ich werde diese schlichte Dreizimmerwohnung nie vergessen. Es war mir immer, als sei ein Himmel in dieser Wohnung mit Sternen, Mond und Wolken. Wunderbare Romantik, süßes Ahnen! Der Bruder bis in alle Nacht im Theater, wo er die Dekorationen machte. Um drei und vier Uhr des Morgens kam er heim, und dann saß ich noch da, bezaubert von all den Gedanken, von all den schönen Bildern, die mir durch den Kopf gingen; es war, als bedürfe ich keines Schlafes mehr, als sei das Denken, Dichten und Wachen mein holder, kräftigender Schlaf, als sei das stundenlange Schreiben am Schreibtisch meine Welt, mein Genuß, Erholung und Ruhe. Der dunkelfarbige Schreibtisch so altertümlich, als sei er ein alter Zauberer. Wenn ich seine feingearbeiteten, kleinen Schubladen aufzog, sprangen, so bildete ich mir ein, Sätze, Worte und Sprüche daraus hervor. Die schneeweißen Gardinen, das singende Gaslicht, die länglich-dunkle Stube, die Katze und all die Meeresstille in den langen gedankenreichen Nächten. Von Zeit zu Zeit, ging ich zu den munteren Mädchen in die Mädchenkneipe, das gehört auch mit dazu. Um nochmals die Katze zu erwähnen: sie setzte sich immer auf die beiseite gelegten, vollgeschriebenen Papiere und blinzelte mich mit ihren unergründlich-gelben Augen so eigentümlich an, so fragend. Ihre Gegenwart glich der Gegenwart einer seltsamen, schweigsamen Fee. Ich habe vielleicht dem lieben stillen Tier viel zu verdanken. Was kann man wissen? Ich kam mir überhaupt, je mehr ich vordrang mit Schreiben, wie behütet und wie beschützt vor von einem gütigen Wesen. Ein sanfter, zarter, großer Schleier wob um mich. Es sei hier allerdings auch der Likör erwähnt, der auf der Kommode stand. Ich sprach ihm so viel zu, als ich durfte und konnte. Alles, was mich umgab, wirkte labend und belebend auf mich. Gewisse Zustände, Verhältnisse, Kreise sind einmal da, um vielleicht nie mehr wieder zu erscheinen, oder dann erst wieder, wo man es am allerwenigsten voraussetzt. Sind nicht Voraussetzungen und Vermutungen unheilig, frech und unzart? Der Dichter muß schweifen, muß sich mutig verlieren, muß immer alles, alles wieder wagen, muß hoffen, darf, darf nur hoffen. - Ich erinnere mich, daß ich die Niederschrift des Buches mit einem hoffnungslosen Wortgetändel, mit allerlei gedankenlosem Zeichnen und Kritzeln begann. - Ich hoffte nie, daß ich je etwas Ernstes, Schönes und Gutes fertigstellen könnte. - Der bessere Gedanke und damit verbunden der Schaffensmut tauchte nur langsam, dafür aber eben nur um so geheimnisreicher, aus den Abgründen der Selbstnichtachtung und des leichtsinnigen Unglaubens hervor. - Es glich der aufsteigenden Morgensonne. Abend und Morgen, Vergangenheit und Zukunft und die reizende Gegenwart lagen wie zu meinen Füßen, das Land wurde dicht vor mir lebendig, und mich dünkte, ich könne das menschliche Treiben, das ganze Menschenleben mit Händen greifen, so lebhaft sah ich es. - Ein Bild löste das andere ab, und die Einfälle spielten miteinander wie glückliche, anmutige, artige Kinder. Voller Entzücken hing ich am fröhlichen Grundgedanken, und indem ich nur fleißig immer weiter schrieb, fand sich der Zusammenhang.

Mai 1914 in „Der Neue Merkur“;
in „Kleine Dichtungen“, 1914

De Tanners

De meeslepende glans van de donkere hoofdstedelijke straten, de lichten, de mensen, mijn broer. Ik in de woning van mijn broer. Ik zal deze sobere driekamerwoning nooit vergeten. Ik had steeds het gevoel dat er in deze woning een hemel was met sterren, maan en wolken. Wonderbaarlijke romantiek, heerlijke vermoedens! Mijn broer tot diep in de nacht in het theater waar hij de decors schilderde. Om drie of vier uur ’s ochtends kwam hij thuis, en dan zat ik daar nog, betoverd door al mijn gedachten, door alle mooie beelden die door mijn hoofd gingen; het was alsof ik geen slaap meer nodig had, alsof het denken, schrijven en waken mijn mij welgezinde, versterkende slaap was, alsof het urenlange schrijven aan de schrijftafel mijn wereld, mijn genot, ontspanning en rust was. De donkerkleurige schrijftafel zo ouderwets, alsof hij een oude tovenaar was. Als ik de sierlijk bewerkte, kleine schuiflades opentrok sprongen er, zo verbeeldde ik mij, zinnen, woorden en spreuken uit tevoorschijn. De sneeuwwitte gordijnen, het zingende gaslicht, de langwerpig-donkere kamer, de poes en die hele zee van stilte in die lange nachten rijk aan gedachten. Zo nu en dan liep ik naar de opgewekte meisjes in het meisjescafé, dat hoort er ook bij. Om nog eens terug te komen op de poes: ze ging altijd op de opzijgelegde, volgeschreven vellen papier zitten en ze knipperde met haar ondoorgrondelijk-gele ogen zo eigenaardig naar me, zo vragend. Haar aanwezigheid leek op de aanwezigheid van een zonderlinge, zwijgende fee. Ik heb misschien veel te danken aan het lieve stille dier. Wat kun je weten? Ik had trouwens, hoe meer ik mijn weg vond bij het schrijven, helemaal het gevoel dat ik behoed en beschermd werd door een goedmoedig wezen. Er ontstond op geheimzinnige wijze een zachte, tere, grote sluier om mij heen. Maar hier moet ook de likeur genoemd worden die op de commode stond. Ik nam daarvan zoveel tot mij als ik mocht en kon. Alles wat me omringde werkte lavend en verkwikkend op mij. Bepaalde omstandigheden, situaties, constellaties zijn er op zeker moment om misschien nooit meer terug te keren, of pas dan weer als je het ‘t allerminst verwacht. Zijn verwachtingen en veronderstellingen niet onheilig, brutaal en onkies? De schrijver moet dwalen, moet zichzelf moedig verliezen, hij moet altijd alles, alles riskeren, hij moet hopen, hij mag, mag alleen maar hopen. - Ik herinner mij dat ik het schrijven van het boek begon met een hopeloos gebeuzel van woorden, met allerlei gedachteloze tekens en krabbels. - Ik hoopte geen moment dat ik ooit iets ernstigs, moois en goeds kon vervaardigen. - De betere gedachten en de daarmee verbonden scheppingsmoed doken slechts langzaam, maar daarom juist des te geheimzinniger, op uit de afgronden van gebrek aan zelfrespect en van lichtzinnig ongeloof. - Het leek op de opkomende ochtendzon. Avond en ochtend, verleden en toekomst en het heerlijke heden lagen aan mijn voeten, het landschap kwam vlak voor me tot leven, en ik verbeeldde me dat ik het menselijke doen en laten, het hele mensenleven met mijn handen kon pakken, zo levendig zag ik het voor me. Het ene beeld volgde het andere op, en mijn invallen speelden met elkaar als gelukkige, schattige, lieve kinderen. Vol verrukking bleef ik hangen aan de vrolijke basisgedachten, en door steeds maar weer vlijtig door te schrijven, ontstond er samenhang.

vertaling m.b.
2020