Für die Katz

Ich schreibe das Prosastück, das mir hier entstehen zu wollen scheint, in stiller Mitternacht, und ich schreibe es für die Katz, will sagen, für den Tagesgebrauch.
Die Katz ist eine Art Fabrik oder Industrieetablissement, für das die Schriftsteller täglich, ja vielleicht sogar stündlich treulich und emsig arbeiten oder abliefern. Besser ist, man liefere, als übers Liefern bloss undienliche und übers Dienen plaudertäschelige Lavereien oder Diskussionen zu veranstalten. Hie und da dichten sogar Dichter für die Katz, indem sie sich sagen, sie fänden es gescheiter, etwas zu tun, als dies zu unterlassen. Wer für sie, diesen Kommerzialisiertheitsinbegriff etwas tut, tut es um ihrer rätselhaften Augen willen. Man kennt die Katz und kennt sie nicht; sie schlummert, und im Schlaf schnurrt sie vor Vergnügen, wer sie sich zu erklären sucht, steht vor einer undurchdringlichen Frage. Obwohl die Katz anerkanntermassen etwas wie für die Bildung eine Gefahr ist, scheint man ohne sie nicht existieren zu können, denn sie ist die Zeit selbst, in der wir leben, für die wir arbeiten, die uns Arbeit gibt, die Banken, die Restaurants, die Verlagshäuser, die Schulen, das Immense des Handels, die phänomenale Weitläufigkeit des Warensfabrikationswesens, alles dies und noch mehr, falls ich, was in Betracht kommen könnte, der Reihe nach aufzählen wollte, was ich für überflüssig halten würde, ist Katz, ist Katz. Katz ist für mich nicht nur das, was für den Betrieb taugt, was für die Zivilisationsmaschinerie irgendwelchen Wert hat, sondern sie ist, wie ich bereits sagte, der Betrieb selber, und bloss das dürfte sich eventuell herausnehmen, nicht für die Katz bestimmt sein zu wollen, was sogenannten Ewigkeitswert aufweist, wie beispielsweise die Meisterwerke der Kunst oder die Taten, die hoch über das Summen, Brummen, Sausen, Brausen des Tages hinausragen. Was von Abneigung und Vorliebe, anders gesprochen, von der Katz, die gewiss ein eminentes Etwas ist, nicht verzehrt oder aufgegessen wird, das, so wird man sich einbilden können, sei bleibend, lande ähnlich einem Fracht- oder Prachtschiff im Hafen fernliegender Nachwelt. Mein Kollege Binggeli schriftstellert meines Erachtens nach in jeder Hinsicht für die Katz, obschon er äusserst anspruchsvoll schreibt und dichtet. In bezug auf die Katzlichkeit seines zweifellos an sich vorzüglichen Schaffens befindet sich Dinggeläri, dem eine hinreissend-schöne Frau ehelich angehört, der famos speist und isst, täglich prächtig spaziert, eine romantisch gelegene Wohnung bewohnt, insofern in einem eklatanten Irrtum, als er in einem fort meint, die Katz mache sich nichts aus ihm. Während sie ihn als den Ihrigen betrachtet, gibt er sich Mühe, zu denken, sie halte ihn für ungeeignet, was keineswegs Tatsachen entspricht.
Ich nenne die Mitwelt Katz; für die Nachwelt erlaube ich mir nicht, eine familiäre Bezeichnung zu haben.
Oft wird die Katz missverstanden, man rümpft die Nase über sie, und gibt man ihr etwas, so begleitet man diese Beschäftigung mit durchaus nicht wohlangebrachter Auffassung, indem man hochmütig sagt: "Es ist für die Katz", als wären nicht alle Menschen von jeher für sie tätig gewesen.
Alles, was geleistet wird, erhält zuerst sie; sie lässt sich's schmecken, und nur was trotz ihr fortlebt, weiterwirkt, ist unsterblich.

vermoedelijk geschreven in 1928/29

Voor de poes

Ik schrijf dit prozastuk, dat uit mij lijkt te willen ontstaan, midden in de stille nacht, en ik schrijf het voor de poes, wat wil zeggen, voor het alledaagse gebruik.
De poes is een soort fabriek of industrievestiging waarvoor schrijvers dagelijks, ja misschien zelfs wel van uur tot uur trouw en vlijtig werk verrichten of afleveren. Het is beter dat je iets levert dan over het leveren louter ondienstige en over het dienen zwamneuzige palaverijen of discussies op touw te zetten. Zo nu en dan dichten zelfs dichters voor de poes door tegen zichzelf te zeggen dat het verstandiger is iets te doen dan het achterwege te laten. Wie voor haar, dit toppunt van vercommercialisering, iets doet, doet het om haar raadselachtige ogen. Je kent de poes en kent haar niet; ze ligt te soezen, en in haar slaap snort ze van genoegen; wie haar nader probeert te verklaren, staat voor een ondoordringbaar vraagstuk. Hoewel algemeen erkend wordt dat de poes voor zoiets als je persoonlijke ontwikkeling een gevaar is, schijn je zonder haar niet te kunnen bestaan want zij is de tijd zelve, de tijd waarin wij leven, waarvoor wij werken, die ons werk geeft, de banken, de restaurants, de uitgeverijen, de scholen, het immense bolwerk van de handel, de fenomenale uitgebreidheid van de productieactiviteiten; dit alles, en nog veel meer als ik alles wat in aanmerking zou kunnen komen één voor één zou willen opsommen wat mij overbodig zou lijken, is poes en nog eens poes. Poes is voor mij niet alleen datgene wat goed is voor de zaak, wat voor de beschavingsmachinerie één of andere waarde heeft, maar zij is zoals ik al zei de zaak zelve, en louter datgene zou zich eventueel mogen permitteren niet voor de poes bestemd te willen zijn wat zogenaamde eeuwigheidswaarde bezit, zoals bijvoorbeeld de meesterwerken in de kunst of die daden die hoog boven het gonzen en grommen, suizen en bruisen van alledag uitsteken. Wat door tegenzin en voorkeur - anders gezegd, door de poes die beslist een eminent iets is - niet verteerd of opgegeten wordt, dat is, zo zal men zich kunnen voorstellen, blijvend, dat legt als een vracht- of prachtschip aan in de haven van het ver verwijderde nageslacht. Mijn collega Binggeli schrijverschapt mijns inziens in ieder opzicht voor de poes, hoewel hij uiterst hoogdravend schrijft en dicht. Met betrekking tot de poesachtigheid van zijn ongetwijfeld op zich voortreffelijke oeuvre begaat Dinggeläre, die een fascinerend mooie vrouw als eega heeft, copieus dineert en eet, dagelijks heerlijke wandelingen maakt, een romantisch gelegen woning bewoont, in zoverre een eclatante vergissing dat hij voortdurend van mening is dat de poes niets om hem geeft. Terwijl zij hem als de hare beschouwt, doet hij zijn best te denken dat zij hem ongeschikt vindt, hetgeen geenszins met de feiten overeenstemt.
Ik noem de tijdgenoten poes; voor het nageslacht sta ik mezelf niet toe er een familiaire benaming op na te houden.
Vaak wordt de poes verkeerd begrepen, men trekt zijn neus voor haar op, en geeft men haar iets, dan laat men deze bezigheid gepaard gaan met een volslagen misplaatst standpunt, door hoogmoedig te zeggen: ‘Dat is voor de poes’, alsof niet alle mensen van oudsher voor haar bezig zijn geweest.
Alles wat volbracht wordt, krijgt zij als eerste; zij laat ’t zich smaken, en alleen wat ondanks haar voortleeft, doorwerkt, is onsterfelijk.

vertaling machteld bokhove