Die keusche Nacht

Schon um der eigenartigen Überschrift willen zog mich diese mit allem gegliedertsten Detail gedichtete Geschichte an, die ich mit vehementer Begierde las, was vielleicht besser unterblieben wäre, aber ich ließ mich hinziehen und kam auf manchem zarten Umweg, und nachdem ich alle Umständlichkeit vollnaturalistischer Umschreibung durchgekostet hatte, zum Moment, wo sich endlich der junge Mann entschloß, sich zu entkleiden.
Ich freute mich über seinen mit Schweisstropfen sauer verdienten Erfolg redlich, er zitterte, und wer ebenfalls? Sie, die die Partnerin spielte und ihm flehentlich zurief: "Tu doch so etwas nicht. Ach, wie ich mich vor dem Naturalismus fürchte. Bitte, bitte!" Derartige Sprache führte die Dumme! Die Dumme? Durchaus nicht! Sie war gebildet, leider vielleicht zu sehr, wiewohl es unrichtig scheint, so etwas zum Mund herausquellen und fallen zu lassen. Alle, alle Dichter hatte sie bis zur totalen Genüge willfährig in sich aufgenommen und die Malerei in ihrer gesamten Ausdehnung auf ihr Eigenleben unbekümmert wirken lassen, und jetzt stand sie nur noch so zur Hälfte mit verhüllenden Gewändern bedeckt da, rang vor Ängstlichkeit die Hände und sagte teils zu sich, teils aber ebensogut zu ihm: "Ich verstehe nicht." Eben dies unglückliche Nichtverstehen möchte er ihr nehmen, sie vom Zwang, den Kulturdinge auf sie ausübten, energisch und leise befreien, gab er so wohlwollend und gutmeinend zur Antwort, dass sie Anlass fand, zu hoffen, sie dringe zum Verständnis der ihr unzart und deshalb hart scheinenden Situation langsam durch. Gerade das viele Wissen ums Leben hatte sie diesem selben Leben gegenüber scheu gemacht. Wenn von ihm zu wünschen war, er begreife sie, so war von ihr zu glauben, sie entledige sich mit der nötigen Schlichtheit, d.h. nichts anderem als Gemächlichkeit, ihrer Strümpfe, welches bisweilen etwas hoch hinaufreichende Wort man wohl wird aussprechen dürfen, da es sich in eine keusche Nacht bestens einfügt. Ob noch die Lampe brannte oder nicht, kommt uns eher nebensächlich als massgebend vor, und ob er sich den Schnurrbart drehte, eh' er sprach: "Ich will den Regeln nicht mehr zurückzuhaltenden Wirklichkeitssinns nun einmal zum Sieg verhelfen", kann kaum eine Frage von Bedeutung sein. Wie ich wissen zu können meine, tröstete er sie mit Anmerkungen, die ihm aus irgendeiner zeitgenössischen Zeitschrift zuflossen, wie z.B. . . . aber ich kann ihm das nicht nachsagen, mein schlichter Verstand scheint mir zu eng dazu.
Im Buche machten diesbezügliche Erwähnungen zwei Seiten aus, wir überschlagen sie; wir sind von der Keuschheit dieser Nacht nach wie vor überzeugt; beide Teilnehmer am nächtlichen Vergnügen sehen ganz danach aus. Ihm kam ein Gedanke, er sagte: "Weißt Du was, wir legen uns ins Bett, und dort lass uns so unschuldig wie möglich tun . . ." Sie schrie: "O schweig! Aber ich will tun, was Du sagst; Du scheinst mir jetzt, nachdem so viel Schwieriges hinter mir liegt, der Vertrauenswerteste, der mir je hätte unter die Augen treten können." Das Interessante an den zwei Leuten war, daß sie durchaus keusch sein wollten, doch jedes diplomatisch dachte, es komme wahrscheinlich anders, aber macht das etwas? Ich meine, sie hatten sich eben bis dahin noch nicht genügend Hemmungslosigkeit angeeignet, was ihnen aber nahelag, nachzuholen. Nun lagen sie annähernd glücklich beieinander, manchmal berührte eins das andere unabsichtlich, bei der leisesten Berührung nahmen sie wahr, was nicht ausgesprochen zu werden braucht, weil es der Leser ahnt und man ihm dies Wissen herzlich gerne gönnt.
Ringsumher blieb alles still. Den Grad der Stille, das Ausmass der Lieblichkeit anzugeben, die Stimmung anzudeuten, das entzückende Gemisch von Heiligem und Trautem, Schönem und Tiefem, worüber der, der's erlebt hat, weder gern ganz schweigt noch völlig unbefangen redet, das Selige zu sagen, erlasse man uns. Sie haben es jedenfalls gefunden, und niemand freut sich mehr als der, den noch selten eine Erzählung inniger interessierte als diese.

Dezember 1925 in Frankfurter Zeitung

De kuise nacht

Alleen al vanwege de merkwaardige titel trok dit tot in de allerfijnste details beschreven verhaal me aan, dat ik met enorme gretigheid las, wat misschien maar beter achterwege had kunnen blijven, maar ik liet me meeslepen en belandde bij heel wat gevoelige uitweidingen en, nadat ik alle breedvoerigheid van de uiterst naturalistische omschrijving doorstaan had, bij het moment waarop de jonge man eindelijk besloot zich uit te kleden.
Ik verheugde me behoorlijk over zijn met zweetdruppels zuur verdiende succes, hij beefde, en wie nog meer? Zij, die zijn partner speelde en hem smekend toeriep: ‘Doe dat soort dingen toch niet. Ach, wat ben ik bang voor dit naturalisme. Alsjeblieft, alsjeblieft!’ Dergelijke taal bezigde dit domme gansje. Dom gansje? Helemaal niet! Ze was zeer ontwikkeld, helaas misschien al te zeer, ofschoon het onjuist lijkt zoiets in de mond te nemen en je te laten ontvallen. Werkelijk alle dichters had zij tot totale tevredenheid gewillig in zich opgenomen en de schilderkunst in haar volle omvang onbekommerd op haar leven laten inwerken, en nu stond zij er nog maar zo’n beetje half met verhullende gewaden bedekt bij, wrong van angstvalligheid haar handen en zei deels tegen zichzelf, maar deels net zo goed tegen hem: ‘Ik begrijp ’t niet.’ Dat hij haar nou juist dit ongelukkige onbegrip graag wilde ontnemen, haar graag van de dwang die culturele dingen op haar uitoefenden, krachtdadig en tactvol wilde bevrijden, gaf hij haar ten antwoord, en wel met zoveel welwillendheid en goede bedoelingen dat zij aanleiding zag de hoop te koesteren dat zij langzaam iets zou gaan begrijpen van deze in haar ogen onkiese en daardoor onaangename situatie. Juist de vele kennis over het leven had haar tegenover dit leven zelf schuw gemaakt. Als je van hem mocht verlangen dat hij haar begreep, mocht je van haar aannemen dat zij zich met de nodige ongecompliceerdheid, d.w.z. niet anders dan op haar gemak, zou ontdoen van haar kousen, welk soms nogal ver omhoogreikend woord je vast wel zal mogen uitspreken aangezien het in een kuise nacht uitstekend past. Of de lamp nog brandde of niet, lijkt ons eerder een bijzaak dan van doorslaggevend belang, en of hij aan zijn snorrenbaard draaide eer hij zei: ‘Ik wil de regels van de niet meer te stuiten werkelijkheidszin nu eenmaal doen zegevieren’, kan nauwelijks een vraag van betekenis zijn. Zoals ik meen te kunnen weten, troostte hij haar met opmerkingen die hem uit een of ander eigentijds tijdschrift te binnen schoten, zoals bijvoorbeeld… maar ik kan het hem niet nazeggen, mijn eenvoudige verstand lijkt me daarvoor te beperkt.
In het boek namen vermeldingen dienaangaande twee bladzijden in beslag, wij slaan ze over; wij zijn van de kuisheid van deze nacht nog steeds overtuigd; beide deelnemers aan het nachtelijk genoegen wekken geheel die indruk. Hij kwam op een idee, hij zei: ‘Weet je wat, we gaan in bed liggen, en laten we daar dan zo onschuldig mogelijk doen…’ Zij schreeuwde: ‘Zwijg toch! Maar ik zal doen wat je zegt; je lijkt me, nu ik zoveel moeilijks achter de rug heb, de meest betrouwbare man die mij ooit onder ogen had kunnen komen.’ Het interessante aan die twee mensen was, dat zij totaal kuis wilden zijn, terwijl ieder van hen toch diplomatiek dacht dat het waarschijnlijk anders uit zou pakken, maar maakt dat iets uit? Ik bedoel, zij hadden nu eenmaal tot nu toe nog niet voldoende ongeremdheid verworven om wat voor hen toch voor de hand lag, alsnog te doen. Nu lagen zij bijna gelukkig bij elkaar, af en toe raakte het ene per ongeluk iets anders, bij de geringste aanraking werden zij gewaar wat niet uitgesproken hoeft te worden omdat de lezer het al vermoedt, en men hem deze wetenschap van ganser harte gunt.
Rondom hen bleef alles stil. Het aangeven van de graad van stilte, de mate van lieflijkheid, het schetsen van de stemming, het onder woorden brengen van de verrukkelijke mengeling van iets heiligs en intiems, van iets moois en diepzinnigs, waarover degene die het beleefd heeft niet graag helemaal zwijgt, maar ook niet volledig onbevangen spreekt, het uitspreken van het gelukzalige, dat alles moet men ons schenken. Zij hebben het in ieder geval gevonden, en niemand verheugt zich daarover meer dan degene die nog maar zelden zo’n warme belangstelling had gehad voor een vertelling als voor deze.

vertaling machteld bokhove