Korte inleiding bij De wandeling

Robert Walser was na een jarenlang verblijf in Berlijn al weer drie jaar terug in Biel en woonde op een zolderkamertje in het Blaukreuzhotel, toen hij in augustus 1916 van Huber Verlag te Frauenfeld het verzoek kreeg om voor hun serie ‘Schweizerische Erzähler’ een verhaal van ca. 80 bladzijden te schrijven. Een maand later, in september, stuurde Walser zijn kopij op: het verhaal ‘Der Spaziergang’. In het voorjaar van 1917 werd het gedrukt in een oplage van 3600 exemplaren, niet met een omslag van zijn broer, de kunstschilder Karl Walser, want die had geen tijd, maar van Otto Baumberger.
In de weinige recensies die verschenen, werd het verhaal afgedaan als “een vrolijk capriccio van een nietsnut”. Maar Eduard Korrodi van de ‘Neue Zürcher Zeitung’ noemde het een vrolijk klein meesterwerk en schreef hierover: ‘De heerlijkheid van een gratis wandeling wordt hier in één woord uitdagend mooi bezongen.’ (4-6-1917)

Robert Walser heeft ‘Der Spaziergang’ vermoedelijk in de winter van 1917-1918 bewerkt, om het in februari 1918 met vijf andere langere verhalen - te bundelen onder de titel ‘Seeland’ - aan te bieden aan Huber Verlag. Omdat er geen reactie kwam, heeft hij het hele voorstel op 1 april 1918 naar Rascher Verlag in Zürich gestuurd. Deze uitgever was wel geïnteresseerd, maar wilde er illustraties bij van zijn broer Karl, zeer tegen de zin van Robert: “de tekst zou te overheersend ‘geistig-gedanklich’ zijn voor opsmuk met prenten; beeld en woord zouden elkaar eerder storen, elkaar eerder over en weer nadelig beïnvloeden, dan elkaar ondersteunen en versterken”. De uitgever bleef echter bij zijn standpunt over illustraties. Karl kreeg er een twee keer zo hoog honorarium voor als Robert voor zijn teksten. Vanwege de Eerste Wereldoorlog kwam het boek pas in het najaar van 1920 uit.

Wat hier vertaald is, betreft de tweede versie van ‘Der Spaziergang’. (De vertaling is over 9 pagina's verdeeld vanwege te grote lengte voor een website.) De verhaallijn van deze tweede versie is hetzelfde als die van de eerste, maar Robert Walser heeft bijna zin voor zin veranderingen aangebracht: zinnen samengesmeed, zinsdelen toegevoegd, weggelaten of vervangen, tritsjes bijvoeglijke naamwoorden aangevuld of ingekort, etc. En in deze tweede versie, die iets korter is dan de eerste, heeft hij ook veel meer alinea’s aangebracht.

‘Der Spaziergang’ lijkt een opeenvolging van korte prozastukjes, aaneengeregen onder de noemer van één lange wandeling en met elkaar verstrengeld door geregelde vooruitblikken, aankondigingen en verwijzingen achteraf. Het is een compositie van gebeurtenissen, zonder enige ontwikkeling zoals meestal bij Walser. De enige spanningsboog waarvan je zou kunnen spreken, zit in de stemmingswisseling van de wandelaar. Hij begint ’s ochtends redelijk goedgemutst, na enige verwikkelingen bereikt hij diep in een bos een staat van etherische euforie (fragment 3), na wederom nieuwe ontmoetingen kondigt hij bij een spoorwegovergang (fragment 7) het hoogtepunt en de omslag van zijn stemming aan, en hij eindigt treurig en eenzaam.
Van tijd tot tijd richt hij zich rechtstreeks tot de lezer en wringt zich dan in allerlei bochten om tegenover deze lezer over zichzelf verantwoording af te leggen - zoals hij dat ook tegenover personages in het verhaal doet (met name in fragment 6) -, opdat niemand zal denken dat hij ook maar íets in het leven over het hoofd ziet. Dit alles doordrenkt van een onpeilbare ironie, die (onder andere) zit in overdrijvingen, die aan het krankzinnige en potsierlijke grenzen: er wordt, soms letterlijk, tot in het oneindige doorgedacht over de meest banale of futiele zaken, die daardoor, al dan niet ogenschijnlijk, van levensbelang worden, zodat uiteindelijk iedere gedachte, ieder gevoel, ieder detail dat wordt. Hij schrijft maar door: “Ik schrijf over alles even graag. Niet het zoeken naar een bepaald onderwerp trekt mij aan, maar het zorgvuldig uitkiezen van mooie woorden. Ik kan uit één idee wel tien, ja wel honderd ideeën ontwikkelen, maar een basisidee schiet mij nooit te binnen.” (Fritz Köchers Aufsätze 1904).
Naast zijn schrijfdrang heeft Robert Walser ook zijn hele leven lang een enorme wandeldrift gehad: “Zonder wandelen zou ik dood zijn” (fragment 6). Wandelen en schrijven, dat waren zijn meest geliefde bezigheden. Doordat hij in ‘Der Spaziergang’ zo uitvoerig en geregeld zijn gedachten tussen die twee heen en weer laat gaan, smelten ze in dit verhaal geregeld samen.

Machteld Bokhove, januari 2010

(naar pagina 1)